Edelman, bedelman …

Van spreeuwen is het bekend dat ze in de lente te vrijen gaan in een afgetrapt kostuum. Als een stelletje schooiers.

Maar om deze tijd van het jaar zitten ze stijf in het pak. Pas geruid, fris opgedaan. Echte sinjeurs. Al gedragen ze zich niet echt als dusdanig bij de feeders. Een stelletje boeven is het, aflappers, vechtersbazen. Niet verwonderlijk dat ze er binnen een paar maand weer armtierig bij zitten als de voorjaarskriebels beginnen …

spreeuwen op feeders (3)spreeuwen op feeders (4)

 

Advertenties

’t Is weer voorbij …

Niet alleen die mooie zomer, maar ook onze herfstvakantie. De koffers staan weer op zolder, de was is (bijna) helemaal uit het zicht en de dagdagelijkse routine laat zich zo stilaan weer gelden. Texel was weer zonnig, na-zomers en leuk.
Het waren maar 10 dagen, deze keer. Gebonden aan een bepaalde datum, omdat we per sé de cursus digiscopen wilden meedoen bij de Verrekieker , moesten we tevreden zijn met de beschikbare dagen op het vertrouwde Eibernest.

We arriveerden samen met veel andere vogelliefhebbers, want net aan de vooravond van het Dutch birding weekend. De enige ontbrekenden op deze meeting waren de vogels zelf. Dat werd al snel duidelijk toen we – eens geïnstalleerd – de waarnemingen even bekeken. (Nog) geen armlange lijst, weinig rode tekst (de zeldzaamheden). De vedetten van het weekend waren óf nog niet aangekomen, óf ze waren door het goede weer meteen doorgeschoten op grote hoogte. Een eerste rondrit langs de bekende routes leverde weinig op. Ach, we komen hier natuurlijk om vogels te kijken, maar Texel heeft méér te bieden en we vinden altijd wel wat om van te genieten.

Op maandag waren veel vogelaars alweer naar huis. Wij leverden hond Jeppe af bij de dagopvang en gingen, gewapend met fototoestel, telescoop en adaptor naar de cursus. Na een korte theoretische inleiding stapten de 7 cursisten met de begeleider in het busje om het geleerde aan de praktijk te toetsen.
Digiscopen is het fotograferen met fototoestel of gsm, waarbij een telescoop als telelens gebruikt wordt. Het vergt de nodige oefening, biedt extra mogelijkheden, maar heeft ook zijn beperkingen. Omdat een telescoop door het fototoestel niet als lens herkend wordt, moeten de instellingen handmatig gebeuren, dus deze techniek is niet direct geschikt om snel te reageren op een snel overvliegende vogel, temeer omdat een telescoop door zijn omvang en gewicht niet zomaar uit de hand bediend wordt. In eerste instantie zag ik het me niet zo gauw doen, maar tegen de namiddag kreeg ik de smaak te pakken en – vooral bij een kijkhutbezoek – ga ik het toch zeker nog doen. Intussen maar veel oefenen thuis, zeker.

De “Indian summer” duurde voort. Er waren dagen dat we, in de zon en uit de wind, buiten konden zitten lezen. Jeppe deed gek tijdens de strandwandelingen. Manlief huurde een fiets en trok er op uit. Zelf maakte ik een gesmaakte wandeling naar de Horsjes, en door het Kreeftenpoldertje terug naar de Horsmeertjes. Het was vroeg in de ochtend, het was er oorverdovend stil en tot een uur of 10 kwam ik niemand tegen. Zalig!

“Weinig te zien” is heel relatief, want zelfs zonder uitzonderlijke waarnemingen is er altijd wel wat te ontdekken op Texel. En de vogels die we zagen waren dan nog vaak rustig en cameragezind.

Buizerds zijn er in vele kleurschakeringen: van bijna helemaal donker tot bijna spierwit. Maar allebei deze exemplaren konden zich er niets van aantrekken dat we vlak voor hun neus bleven staan met een fototoestel in de aanslag. 

torenvalkje

Ook een torenvalk kan er stoïcijns bij zitten.

zonsopgang aan de Volharding

De zon die opgaat boven het wad: ik raak er niet op uitgekeken. 

zwarte ruiter(bis)

De zwarte ruiter. Een schuw geval, maar tijdens deze vakantie hadden we tijd en kansen te over om de soort goed te bekijken. 

watersnip

Ook de watersnippen waren goed gelukt dit jaar.

blauwe reiger

De blauwe reiger. Geen zeldzaamheid, maar altijd fotogeniek.

de Geul ontwaakt

De Geul bij dageraad. 

overvliegende ganzen aan westelijk Horsmeertje

De ganzen komen uit hun slaapplaatsen. Hun gegak is onlosmakelijk verbonden aan de herfst.

duinen bij de Horsjesduingras in tegenlichtdriedistel

 

 

 

 

 

 

Ringeding ding …

Voor de laatste keer, dit jaar, op pad met de vogelringers van het Zeeuwse Landschap:

Ringeding ding …

Vogelringen.  Waarvoor, in godsnaam? Wat is er de charme van om als grote mens, met – hopelijk verhoudingsgewijs – grote handen, aan zo’n klein, fijn, nietig bolletje pluimen te zitten friemelen om zo’n onnozel ringetje rond dat luciferpootje te krijgen? Je zou eens moeten weten hoeveel lettertjes en cijfertjes er staan op een ringetje dat je amper kan zien, laat staan vasthouden! Die moet je dan nog kunnen aflezen ook, om in te voeren in de bestanden van het Vogeltrekstation dat alle gegevens bijhoudt.

Ringeding dingetjes

Een hele rits ringetjes van de kleinste maat (2,2mm, dat is de diameter van zo’n prutsje).

Met deze ring _

“Met deze ring …”

Vandaag was de laatste Open Vogelringdag en vorige keer had ik al afgesproken dat ik er weer bij kon zijn. Tien jaar jonger, en ik zou het nog aandurven om me er ook in te verdiepen en de opleiding te volgen. Maar mijn ooit bijna legendarische vaste hand trilt intussen om zeeziek van te worden en mijn scherpe zicht wordt tegenwoordig gedecimeerd door aftakeling en spaarzame traanklieren, waardoor ik na wat geconcentreerd turen in de mist zit. Maar het volstaat ruimschoots om op andermans handen te kijken en weetjes op te slaan.

Het -oogsten- van de vangst

Het binnenhalen van de eerste “oogst” van de dag.

Knopen en nog eens knopen

Als één gek méér vragen kan stellen dan 100 geleerden kunnen beantwoorden, dan kan één kleine karrekiet méér knopen leggen dan 3 ringers en één toeschouwer kunnen losmaken. Geduld, de grootste deugd bij dit werk. 

De oogst (of de buit, zoals je wil)

Ze zijn “in ’t zak gezet”.

Wat is eigenlijk de bedoeling van het ringen van vogels? De meest voor de hand liggende reden is uiteraard om – aan de hand van terugmeldingen e.d. – te achterhalen hoe het de diertjes vergaat. Hoe ver ze doorvliegen, wanneer ze terugkomen, hoe ze het maken, … De stand van zaken per soort, zeg maar. Gaat het goed met bv. de rietzanger? Daalt het bestand tot kritische diepten of wordt er weer vooruitgang geboekt? Waar trekken onze lepelaars naartoe in de winter? Komt die scholekster, die hier vorig jaar geringd werd, dit jaar terug naar dezelfde plek om er eieren te leggen en jongen groot te brengen? Veel van die dingen kan je natuurlijk ook afleiden uit het aantal waarnemingen, dus daarvoor hoef je nog niet bij nacht en ontij vogels in de netten te vangen. Maar voor het volgen van bepaalde individuen, gedragingen en gewoonten kan het niet anders. En als je bijvoorbeeld als natuurvereniging een stuk landschap wil beheren, dan moet je wel weten hoe je moet sturen.

Schorrengebieden worden schaarser en kleiner, mede door inpoldering, dijkverstevigingen en uitdiepen van waterlopen i.f.v. scheepvaart en zo. Maar schorrengebieden zijn héél belangrijk voor veel vogelsoorten. Het zijn overgangsgebieden tussen water en land. Schemerzones, die van alles een beetje hebben. Als ze ook nog in de andere richting op de grens liggen, tussen zoet en zout water, worden ze dubbel interessant. Dan is daar echt voor elk van de vogelsoorten wat wils. Een super-supermarkt, met volle schappen met wormpjes, schelpjes en ander gescharrel. En op de koppen die niet vaak onderwater komen, groeien planten die zo af en toe wel eens natte voeten kunnen verdragen en die er niet om malen dat dat water een beetje zoutig smaakt. Ze zijn er op voorzien, weten hoe ze ermee om moeten gaan. Héél speciale flora, die dan weer de belangstelling krijgt van héél speciale insecten. Die tot het rantsoen van héél bijzondere vogelsoorten behoren, bijvoorbeeld. Zó hangt dat allemaal samen.

Maar als je die schorren maar laat betijen, dan verruigen ze mettertijd. Het begint met riet en als je lang genoeg besluiteloos toekijkt, staan er voor je het weet bomen en struiken in. En dan heb je weer een heel ander landschap. Schorren wég, rietvelden in de plaats. Die hebben ook hun eigen nut voor de (avi)fauna, als nest- en rustplaats, maar die vind je al wel dieper in de polder, dus moet je daarvoor schorren opofferen? Hoe kan je het best beheren? Maaien en plaggen, of grazers inschakelen? Wélke grazers?

Door het ringen en tellen van vogels kan je meten wat het effect is van landschapsverandering en beheer op de diverse vogelbestanden. En meten is weten. Welke soorten zaten hier vroeger? Welke soorten zijn er in de plaats gekomen na bepaalde beheersmaatregelen (niets doen is óók een beheersmaatregel!)?

De klimaatverandering brengt zo haar eigen vraagstukken mee. Van sommige soorten die normaal diep naar het zuiden trekken, heeft men intussen gemerkt dat ze al best tevreden zijn met een winters verblijf in het zuiden van Europa. En typisch zuiderse soorten hebben nu voorposten in onze contreien. Het zijn voorlopers, pioniers en zoals dat met die durfals wel vaker gebeurt, loopt het niet altijd goed af. Een strenge winter en ze leggen het loodje. Onvoldoende aangepast voedsel of onvoldoende aangepast aan het voorradige voedsel en ze kwijnen weg.
Er hangt dus veel meer vast aan zo’n ringetje dan je zou vermoeden.

Uiteraard zijn de methoden aangepast aan soort en grootte. Als je pakweg een buizerd wil ringen, zet je geen bijna onzichtbaar fijn net op. Veel vogels – ook wadlopers bijvoorbeeld- worden op het nest geringd. Wanneer de jongen groot genoeg zijn om hen een ring aan te meten die voor de rest van hun leven kan blijven zitten zonder dat het hen een poot kost, worden ze van het nest gehaald en nadien zo snel mogelijk weer terug gezet. Alles dient te gebeuren zonder de oudervogels zodanig te verstoren dat ze het nest in de steek laten.

Wat wordt er genoteerd van een geringde vogel? Uiteraard tijdstip en plaats van het ringen, het ringnummer en de soort. Is het een jonge vogel (1e kalenderjaar) of een ouder exemplaar? De vleugellengte, het gewicht, het geslacht, en eventuele andere relevante kenmerken. Er wordt ook gekeken of een (trek)vogel voldoende opgevet is. Dat zegt uiteraard iets over zijn kansen voor die enorme inspanning, maar ook over de omstandigheden van het achterliggende seizoen en vaak ook – bij jonge vogels – of hij uit een laat legsel komt.

Indeling volgens vetreserves

Voor het meten van de vetreserves wordt een nogal indiscrete methode gebruikt: de ringer blaast de buikveertjes uiteen om de “speklaag” te kunnen beoordelen.

Enkele van onze fotomodellen van de dag:

Ze laten wel weten wat ze ervan vinden

Een kleine karrekiet steekt het niet onder stoelen of banken wat hij ervan vindt. Hij krijst de hele buurt op een kluitje.

Rietgors

Een rietgorsje probeert fotogeniek te zijn (en slaagt daar heel goed in). 

Het Boze Oog

Het “Boze Oog” van de fitis.

Hoog kerstkaartgehalte, maar _

Pimpelmezen mogen dan een hoog kerstkaartgehalte hebben, ze zijn niet echt de favoriete vogel van de ringers. Ze hebben een pittig karaktertje en zijn erg vasthoudend. In elke betekenis van het woord. 

Nu heeft dat ringen maar hooguit half zoveel zin zonder terugmeldingen. Dus: als je een geringde vogel ziet en je kan zijn ring aflezen (zonder hem te verstoren!), of je vindt een geringd exemplaar dood in tuin, wegkant of waar ook, of zelfs enkel maar een ring: geef die informatie door via  https://vogeltrekstation.nl/nl/vogels/ring-gevonden . Als beloning ontvang je een email met daarin alle informatie die ze over het betrokken dier hebben. Ik heb het zelf een paar jaar geleden ook gedaan. We woonden toen nog in België, dus het werd een internationaal event. Het vervolgverhaal van die melding staat hier: https://affodilennidk.wordpress.com/2013/03/25/aan-het-eind-van-een-hectische-dag/ ,  https://affodilennidk.wordpress.com/2013/03/26/het-verhaal-gaat-verder/  en                 https://affodilennidk.wordpress.com/2013/04/28/het-doopceel-van-onze-ooievaar-gelicht/

Het loont trouwens de moeite om eens grondig te gaan snuisteren op de hele site: https://vogeltrekstation.nl/ .

Open Vogelringdag …

Maar dan moet je wel op tijd je bed uit en op de afspraak zijn bij de vogelringpost. Dat vroeg opstaan is bij mij al geen punt, want de dagen dat ik pas nà 6u uit bed ben zijn verwaarloosbaar. De haan die mij te grazen neemt, leer ik eieren leggen.

“Open Vogelringdag”, ’t is weer eens wat anders dan “Open Monumentendag” of “Open Bedrijvendag”.

Ik vind de rendez-vousplaats vlotjes en weet uit een mailtje van gisteravond hoe ik het terrein op kan en dat ik mag doorlopen tot bij de plek waar het allemaal te doen is.
Jos, Koos en Wilbert wachten mij op. Er is al een eerste keer “geoogst” en een stel wriemelende zakjes hangt intrigerend aan de haakjes van de hangardeur te wachten. Voor de ingewijden verraadt de kleur van de stof al  iets over de inhoud maar leek zijnde, kom ik niet verder dan “vogel”. Vooral over dat éne rode zakje wordt heimelijk gedaan. Daarin zit volgens de experts “een specialleke”.

Omdat collega Alex een uurtje later nog met een paar bezoekers komt,  wordt er niet te snel gewerkt, want anders hebben die niks meer te zien. Maar er kan ook niet onbeperkt getalmd worden, want dat is voor de bewoners van de zakjes niet zo goed. Er moet vooral voor gezorgd worden dat de gevangen vogels niet in de volle zon hangen.

Na een uur worden de netten nog eens gecontroleerd en wij mogen mee. Er valt niks te halen. Jos legt uit dat dit een beetje een overgangsperiode is. De nachttrekkers zijn bijna allemaal weg en als de vogel gevlogen is, kan je hem niet meer vangen. De dagtrekkers zijn nog even aan het opvetten om zo rond begin oktober hun biezen te pakken.

De witte zakjes moeten er het eerst aan geloven vanwege de stressgevoeligheid van de inhoud. Daarin worden de kleine karrekieten bewaard. Ik krijg meteen uitleg over de techniek van het ringen, het meten, wegen,  identificeren, de fijne kneepjes om sterk gelijkende soorten van elkaar te onderscheiden, … Intussen werkt stagiair Wilbert de procedure van zijn eerste gast af.

kleine karrekiet

Zakje nummer 2 (ook een wit, dus daar verwachten de ringers ook een kleine karrekiet in) zorgt voor een extra “specialleke”: een snor, verraden door zijn vleeskleurige pootjes. Ook de vorm van de staart – een mooi bruin waaiertje – is één van zijn handelsmerken.

snor
Twee zakjes, twee soorten. En er hangen nog 3 verschillende soorten zakjes, waaronder dat mysterieuze rode ding.

De hand van de stagiair-ringer gaat naar een volgend groepje: de rietzangers. En intussen krijg ik voortdurend leuke inside-weetjes over hoe je bijvoorbeeld bij bepaalde soorten kan weten of het een “1ste KJ” is. Dat is beroepsjargon voor 1ste kalenderjaar. Ringers willen nog wel eens van een vogel verlangen dat hij het achterste van zijn tong laat zien. Want jonge (1stejaars, dus) verraden zich dan met een tongmerk (2 zwarte puntjes achteraan op de tong). Geen onbetwist kenmerk voor sommige soorten, maar vaak genoeg een indicatie. Als het beestje openheid van zaken wil geven, natuurlijk.
Een ander mogelijk kenmerk van een 1steKJ: de lichte zoom aan de vleugel.

lichte zoom aan vleugel

lichte zoom aan vleugel (bis)

Nog een andere ringersterm is de “notch“. Omdat het zich moeilijk laat uitleggen en er toch een tekeningetje voorhanden is, maak ik daar een foto van. Kwestie van mijn geheugen een steuntje te geven. Die “notch” kan bijvoorbeeld vertellen of het ringetje om de poot van een grote karrekiet, dan wel van een bosrietzanger zit. Het zit ‘m in de kleinste details. Vandaar dat je als vogelwatcher vaak blij bent dat je er nog wat geluid bij krijgt. Maar dat is iets waar ringers niet op kunnen rekenen, want een vogel in een zakje heeft maar zelden zin om een recital te geven.

notch (1)

notch (2)

De blauwe zakjes zijn aan de beurt. In een gebied waar blauwborsten zich graag ophouden, is het nogal wiedes dat die stofjes voor hen gereserveerd zijn. De eerste die weer het daglicht ziet, is een mannetje. Dat wordt duidelijk als zijn oranjebruine ring over de borst zichtbaar is.

blauwborst

blauwborst bis

En dan is het eindelijk tijd voor de apotheose: de geheimzinnige rode zak. Veel gespartel, een grote ringershand die in eerste instantie de identiteit van het beestje verhult. En dan (tromgeroffel): een cetti’s zanger. Net als de voorgaande vogels behept met een naaldfijn snaveltje. Een bruin kopje, een grauwig lijfje, … Voor een niet-kenner ziet hij er – eerlijk gezegd – net hetzelfde uit als de rest (de blauwborsten niet te na gesproken). Maar in de handen van ringers (en onder hun deskundige toelichtingen) leren we toch weer wat bij. Ik was een paar jaar geleden al eens door zo’n onzichtbaar beestje beetgenomen in de Bazelse polder, maar nu kan ik die plaaggeest eindelijk in de kraaloogjes kijken.

cetti's zanger

Alex neemt ons nog even mee naar een konijnenhol, om ons te vertellen over een onvermoede bewoner van deze plaats. Omdat er aan de ingang geen begroeiïng is en het zand voldoende aanéén houdt om er ook piepkleine gaatjes in te maken, is dit een uitstekende plaats voor de schorzijdebij. Temeer daar ze hier haar waardplant bij de hand heeft (en die komt nu net volop in bloei): de zeeaster of zulte. Het is een bij met een geelros jakje en een duidelijk zwart/wit gestreept achterlijf. Net als we denken dat we nog te vroeg zijn, komt er toch eentje naar buiten.

En dan zit het er op voor vandaag. Een tweede oogst zit er niet in. De zon maakt de netten te goed zichtbaar voor de vogels, die er mooi overheen vliegen. Op het moment dat we er bij stonden, leek het even of er zwaluwen in de netten konden komen. Ze slapen in het riet en hun wekkertjes waren net afgegaan. Maar er laat zich geen enkele verschalken.

Met een hoop interessante weetjes in de rugzak en na een uitgebreid afscheid met veel bedankjes, krijg ik van Alex een lift tot bij het hek. Daar krijg ik nog een lang verhoopt, maar niet verwacht extraatje: een groepje baardmannetjes speelt in de toppen van het riet. Deze “Open” dag kan niet meer stuk.

baardmannetjes

Wat een heerlijke manier om een zaterdagvoormiddag door te brengen.
Hartelijk dank aan mijn gastheren en zeker tot een volgende gelegenheid!

 

Zondagje niksen …

Gewoon een luie zondag, niets gepland, niets te doen. Lekker in de tuin met een drankje, een goed boek en – uiteraard en voor alle zekerheid – toch maar een fototoestel bij de hand, want je weet maar nooit …
Er zitten huismussen in de tuin, véél huismussen, en onze vertrouwde buren, de groenlingen. Uiteraard zijn de Turkse tortels weer aan het “stouwen”. Zelfs de putters zijn terug van even weggeweest.
En dan zit er opeens een tortel bij die niet helemaal in het plaatje past.

zomertortel

Blij dat deze zomertortel nog even gedag kwam zeggen vóór hij/zij aan de lange reis begint naar de winterresidentie. Het zag er nog een jonkie uit, want het grijs is nog niet zo diep van toon als bij de volwassen dieren, maar vergissen zat er toch niet in.

Goeie reis, vriend, en wees voorzichtig onderweg. Meer naar het zuiden schieten ze eerst, vóór ze vragen stellen …

Rondje Grenspark …

Na de vlucht voor de hitte en het schuilen in het donker, was er deze week eindelijk nog eens tijd om een rondje Grenspark te maken. Een aangename temperatuur, een niet te harde zon en ons fotomateriaal volstonden om ons een paar uurtjes aangenaam bezig te houden.

Niet dat er écht veel te zien was. Maar wàt voor ons oog (en onze lenzen) opdook, was wel de moeite waard.

Een jagende torenvalk hing boven de Scheldedijk te bidden. Blijkbaar werd zijn schietgebedje verhoord, want plots dook hij naar de grond. Het is ons evenwel niet bekend of er daarna een “Heer, zegen ons” volgde of een resem vloeken omdat de buit alsnog ontsnapte.

Jagende torenvalk (1)

Jagende torenvalk (3)

Deze jonge buizerd had in elk geval succes geoogst, want hij zat zich tegoed te doen aan een flinke buit. Hoog boven ons hingen nog een jong en een oudervogel. Het jong liet bedelende piepjes horen, maar ik denk dat de oudervogel antwoordde dat kroost nu maar eens een voorbeeld moest nemen aan broer/zus en zelf zijn kostje bijeen moest scharrelen.

Jonge buizerd met prooi

Vandaag kregen we nog eens voorname visite in de tuin. Hoewel de floxen er intussen alles behalve decoratief bij staan, vond deze vorstelijke vlinder ze nog wel een uitvoerig bezoek waard.

Koninginnepage (4)

 

Koninginnepage (6)

En ja, hoor. We hebben nog wel een paar weken zomer in het vooruitzicht. Maar toch merk je al onrust in pluimenland. De nog aanwezige zwaluwen beginnen zich te groeperen. En in de Hellegatpolder was het ook al spitsuur:

De troepen verzamelen _

 

Vertrouwen of overmoed ..?

Onze tuin doet het buiten verwachting redelijk goed, ondanks de droogte. En droog is het hier! Alles wat maar enigszins soelaas zou kunnen brengen, vliegt hier wuivend voorbij. Vanaf Terneuzen volgen de wolken de oever van de Westerschelde en ter hoogte van Ossenisse/Perkpolderhaven schieten ze op de overkant toe. Gisteravond dacht ik héél even dat er toch een piepklein buitje in zat. Maar veel meer dan een muggengezin met collectieve blaasproblemen was het niet.

Vanmorgen vroeg opgestaan om in de koelte wat in de tuin te kunnen wieden. Ik giet spaarzaam (1x per week) maar dan wél een flinke geut aan de voet van elke plant. Ergo: als er onkruid opkomt, is dat ook in de onmiddellijke omgeving van de planten. Ha ja. Om de twee weken dus een halfuurtje wieden en we kunnen er weer even tegen.
Een paar planten hebben het wat moeilijk, maar ik geef ze nog niet op. De kogeldistels waren bijna volledig verdwenen. Toch ging ik stug door met gieten en nu zijn ze er helemaal door (op één na). Vandaag en morgen nog eens een stand van zaken opmaken met het fototoestel.

De feeders worden dezer dagen gevuld met zomervoer dat ik bij Vivara kocht. Het is gepeld, waardoor je minder afval moet ruimen aan de voet van de feeder. En reken maar dat we voor die moeite beloond worden! Naast een zestal groenlingen die bij de buren wonen maar bij ons tafelen, hebben we sinds een paar weken een stelletje nieuwe gasten. Persoonlijk vind ik putters wat te kakelbont, en beetje clownesk zelfs, maar dat neemt niet weg dat ik hen graag te gast heb. Ze zijn intussen zo vrank, dat ze niet eens ophouden met smikkelen als een van ons er op een meter of 2 langs loopt. Hond Jeppe moet er het gemors in zijn pels maar voor lief bij nemen als hij te dichtbij gaat liggen zonnen.

Putters en groenling op de feeder.jpg

Jong leven in de tuin. Ik had al een tijdje het donkerbruine vermoeden dat een stel merels een nestje had achter de stapel reservedakpannen. Vanmorgen werd dat bevestigd door een nog pluizige telg, vers van de pers. Nog een geluk dat ik hem op tijd in de gaten kreeg, want ik wou net de lans op de vlinderstruik richten waar hij onder zat.

Jonge merel in de tuin

Vogels binnen handbereik: een blijk van goed vertrouwen of je reinste overmoed? Je zal van het laatste wat nodig hebben om het eerste te krijgen, zeker? En anders is het pure noodzaak om te overleven.