Die ochtend aan het ontbijt …

 

… was er een grote verscheidenheid aan gasten die kwamen aanschuiven. Zelfs soorten die we in Kruibeke nooit aan het buffet hadden (voor zover we weten): spreeuw en distelvink.

Ze kwamen in paren of single. Sommigen hadden alle tijd, wegens vakantie. Anderen moesten zich haasten om nog gauw hun lesmateriaal mandenvlechten bijeen te zoeken…

Duidelijkheid …

Dat is wat we vooral moeten verkrijgen over de tuin. Over wat de Engelsen “hard lanscaping” noemen, zijn we het al wel eens geworden: welke paadjes blijven, welke worden opgebroken, waar komt gras en wat doen we met die met klimop begroeide “arc de triomphe” en  met die plastic vijver (voor beide geldt: wegwezen).

Over de beplanting is er minder duidelijkheid. Je moet eerst weten wat er staat en naar waar je het eventueel wil verplanten, vóór je over nieuwe aanwinsten kan gaan nadenken. Zoals eerder gemeld, ben ik voorstander van continuïteit in de bloei. Om er zeker van te zijn dat eventuele gaten in mijn geheugen ons geen dubbel werk bezorgen, ga ik nu een fotografische inventaris maken. Jeppe presenteert zich voor vandaag als gids:

DSCN2065

Het tuinhuis aan de rechterkant is gedoemd te verdwijnen wegens zo rot als Brusselse stinkkaas. We hebben het tijdelijk opgelapt zodat de fietsen nog even onderdak hebben tot het nieuwe tuinhuis er is. Intussen staat daar een knalgele forsythia naast te pronken. Blauwe druifjes hebben hier en daar een gaatje gevonden in het plantfolie, dat -samen met een paar ton grind- onder mijn ogen uit moet. We staan nog in dubio of we dit voederhuisje behouden of vervangen door de paal met cilinders die we meegebracht hebben uit Kruibeke. Vermoedelijk het eerste en dan komt die paal in de volgende foto.
Van de scheefgesnoeide boom/struik links van het voederhuisje zijn we nog niet zeker wat we er van mogen verwachten, maar het zou weleens een paarsbladige cotoneaster kunnen zijn. Jeppe wacht vol ongeduld op de ontwikkelingen vooraan in beeld. Hier en daar staan wat plukjes spirea en hortensia’s vinden we overal in volle grond zowel als in pot. De buxushaagjes verdwijnen. Wat er voor in de plaats komt weet ik nog niet, maar het moet in elk geval minder formeel zijn (en geen scheerbeurt nodig hebben).

DSCN2063

Dit is dus die beruchte “arc de triomphe”, van de zijkant gezien. Op zich hebben we niks tegen klimop, integendeel. Maar deze boog staat echt op de meest verkeerde plaats. Tenzij je het naar de straat brengen van een afvalcontainer als een triomftocht beschouwt. Knal in de focus, zodat je erachter net zo goed niets meer kan zetten want je ziet er toch niets van. Weg. En eventueel een beter plekje zoeken om klimop te zetten. Die mini-duiventil staat naast een plastic vijver die over geen enkele vorm van charme beschikt en dus noch vogels, noch andere vormen van leven kan verleiden om onze tuin wat vaker te bezoeken.

DSCN2062

De grijsgele tegels rechts worden vervangen door gras. Het roodgrijze dambord moet plaats maken voor een verbreding van het perk op de voorgrond. Het pad komt dan (met andere tegels) meer naar links, zodat er meer evenwicht in de beplante zones ontstaat. Alle hortensia’s zou ik in het linker perk bij elkaar willen zetten, zodat ze in de bloeitijd één groot boeket vormen (met een beetje geluk zelfs in verschillende kleuren). In dit rechter stuk moeten vooral bollen en veel kleinere bloeiende planten komen (o.a. die schoenlappersplant).

Ik had eerst bedacht om klimop tegen die dode boom in de achtergrond te laten klimmen, maar bij nader inzien is dat misschien niet zo’n goed idee, want de struiken errond gaan ook gewurgd worden. Wat er langs dat klimrekje aan het andere tuinhuis groeit, moeten we nog even afwachten. Een druivelaar? Voorlopig ziet het er nog kaal uit (maar dat is ook in Kruibeke het geval bij onze druivelaars). De afvalbakken zijn wat verplaatst, want de pimpelmezen die in het nestkastje zitten, vonden het niet prettig als hun zicht belemmerd werd door een openklappend deksel. Klant is koning …

DSCN2058

Tussen al dat struikend geweld heb ik toch speenkruid en mini-viooltjes gevonden:

DSCN2066

Van de meeste planten hebben we intussen wel door wat het is en dus wat we er kunnen van verwachten. Maar af en toe zit er toch een verrassing tussen. Zo was tot een paar weken terug absoluut niet te bedenken wat het kleine struikje naast het raam van de voorraadkamer was. Begin deze week kregen we al een vermoeden en sinds gisteren is er geen twijfel meer mogelijk: Magnolia kobus. Ik heb het niet zo voor magnolia’s. Vooral niet voor die met die enorme, bijna kunstmatig ogende lotusbloemen. Té overdreven. Maar deze kleinbloemige soort zou weleens mijn hart kunnen stelen:

En om op een makkelijke manier te weten te komen wat hier allemaal welig zou kunnen tieren, hou ik de voortuintjes in het dorp in de gaten. Van twee planten kan je al met zekerheid stellen dat die zich hier thuis voelen. Overal staat (winter/voorjaars)heide in volle bloei. Stevige, weelderige struiken waar geen takje van te zien is vanwege de uitbundige bloemen waar kilo’s hommels en bijen omheen zoemen.
Een andere plant die het goed doet, is de schoenlappersplant of olifantsoor. Ik had er ook een paar staan in Kruibeke, maar die zagen er altijd uit alsof ze zich afvroegen:”gaan we dit jaar dood of wachten we nog een jaartje?”. Hier heeft iedere voortuin een aanzienlijke partij van die voorjaarsbloeiers staan. Allemaal dingen die ik hier moet noteren (onthouden is hopeloos) voor als we aan de slag kunnen. Als de aannemer nu snel de nieuwe omheining komt plaatsen en al de afgedankte “landschapselementen” uit de tuin meeneemt, kunnen we er in vliegen. Mijn handen jeuken al!

Eén vaststelling hebben we al gedaan: onze tuin mag dan maar 1/3 zijn van onze vorige, het zal ons niet aan “huurders” ontbreken. Van de genoemde pimpels verwachten we dat ze het al naar hun zin hebben. Ze zijn naarstig aan hun eigen verbouwingen bezig. Ook regelmatige bezoekers (al denk ik dat ze bij de buren intrekken): een stel merels, een aantal spreeuwen waarvan er eentje is met een respectabel repertoire imitaties, gaande van buizerd over mobieltune tot een baasje dat naar zijn hond fluit. Bij de vlinders konden we al kleine vos, citroentje, (Icarus?)blauwtje en koolwitje noteren. En vorige week kwam een penseelkever kijken wat er in de postbus stak.

En niet in onze tuin, maar er niet ver vandaan staat al pinksterbloem te bloeien. Iets zegt me dat het een spannende lente wordt!

Gluren …

U lijdt aan slapeloosheid en wil de nachten een beetje aangenaam doorbrengen zonder uw huisgenoten wakker te houden met uw gestommel?

U krijgt uw dagen niet gevuld omdat u niet van de koers houdt en de play-offs u geen ene moer kunnen schelen?

U heeft het geduld van de bibliothecaris opgebruikt en mag geen boeken meer ontlenen?

U bent iemand die aan een paar seconden slaap af en toe (desnoods tijdens het eten of de vaatwas) genoeg heeft en dus alle tijd van de wereld heeft om aan de pc te gaan zitten?

Dan is hier een link die u niet mag missen. Showtime 24/7 want u kan zomaar binnengluren bij een aantal tuin- en andere vogels en het is nog perfect legaal ook.

O, en u telt morgen toch ook huismussen?

Dodelijk hormoon …

De bladknoppen barsten. Groot en klein hoefblad, speenkruid, paardebloem, zelfs al een vroege pluk fluitekruid kleuren onze bermen. We worden vanaf een uur of vijf ’s morgens vergast op vogelzang en af en toe stuiven de pluimen in het rond bij grensconflicten. De hazen hebben hun hevigste gevechten al bijna achter de rug.

Begin deze week kon de waakhond van enkele straten verderop niet naar de straatkant stormen, want hij was “verankerd” aan zijn lief (die haar gezichtsuitdrukking was goud waard toen hij het toch probeerde) en gisteren kon een stier het zich niet aantrekken dat er publiek langs de wei passeerde: hij had andere prioriteiten dan over de omheining in het niets te staan turen. De pony, die ons bij elke passage komt begroeten -hopend dat ik even zijn rug wil krabben- loopt wat ongemakkelijker dit seizoen, vanwege “enige overlast” in de achterste/onderste regionen.

Een paar weken geleden waren de wegen in onze buurt een waar slagveld van paddenlijfjes, daarna volgden de kikkers. Deze week heb ik geslalomd tussen platgereden merels, fazanten, waterhoentjes, wilde eenden, mussen, … En let’s face it: het waren zonder uitzondering mannetjes. Allemaal verblind door de voorjaarskoorts. Blind voor aanstormend verkeer. En dus uitgeteld, vermorzeld, gekraakt en platgereden.

Testosteron, een dodelijk hormoon.

SOS …

Luid ik deze week nog de alarmklok omdat in onze onmiddellijke omgeving de nestmogelijkheden voor steenuiltjes verdwijnen. Gisterenochtend, tijdens mijn rondje met Kastaar passeer ik een oude boomgaard waar 1 kompleet versleten fruitboom staat. Hol vanbinnen zoals je het normaal enkel bij een knotwilg ziet. En op een stuk bovengrondse wortel een stompje dat beweegt. En dat -tegen de tijd dat ik mijn gsm opgediept heb en de camerafunctie gekozen – opvliegt in de kruin en alarm slaat. Een steenuiltje!

’s Avonds uiteraard de avondwandeling zó gekozen dat ik weer langs die boomgaard kwam, maar het was nog te vroeg. Dus vanmorgen een nieuwe poging. Deze keer had ik mijn coolpixje in mijn heuptasje zitten. En weer zat er zo’n stompje beneden aan de stam. Maar dit keer was het blijkbaar een nog niet helemaal vliegvaardig jong. Pa (of Ma?) vloog in de naaste boom en zat daar te kijven, maar het jong maakte zich niet echt druk en wandelde de holle voet van de boom in. Om nieuwsgierig van achter het hoekje te blijven loeren naar die twee rare snuiters daar op de weg.

De foto is van minderwaardige kwaliteit, maar ik moest sterk inzoomen en het eerste zonlicht was bijzonder scherp, dus ook het contrast en de kleur heb ik wat moeten bijwerken.
Maar als bewijs toch dit:jonge steenuilEn nu dus zorgen dat we tegen het najaar een goed plaatsje gevonden hebben om een steenuilenkast op te hangen!

Apetrots …

Midzomer. Zonnewende. Vanaf nu gaan de dagen weer korten. Ik kijk er niet naar uit. Ik wil nog even genieten van de zon (als ze wil schijnen), de bloemen, de insecten, …

Toch wordt het zo stilaan tijd eens een balans op te maken van het broedseizoen van dit jaar. Dat gebeurt deels op basis van de nesten die we met zekerheid weten zitten (of toch ongeveer, een halve meter meer of minder maakt niet uit), deels op basis van de uitgevlogen jongen die – al dan niet samen met pa en ma – aan het voederstation worden gezien. Er zaten dit jaar een paar aangename verrassingen tussen!

Ons perceel is ietsje groter dan 800m². Trek daar pakweg 200m² af voor huis, garage en verharde gedeelten (oprit, terrasjes, …) dan houden we een mooi plekje over, maar niet echt een park. Toch is dat voldoende gebleken voor volgende “huurders”:

– 3x merel (minstens, en we hebben ze allemaal nog een 2de keer zien nestdragen)
– 1x lijster
– 1x ringmus (van het 1e nest is er 1 jong dood in het nest gebleven; dat weet ik doordat de nestkast even van de muur moest. In het 2e nest lagen 4 levendige jongen met beginnende pluimschachten)
– 1x winterkoning
– 1x roodborst
– 1x heggemus (jong mee aan tafel gezien)
– 1x groenling (met 1 jong dat mee aan het voederstation kwam)
– 1x roodstaart (dat jong liet zich gisteren voor het eerst zien)
– ?x koolmees
– ?x pimpelmees
Beide mezensoorten waren goed vertegenwoordigd en hebben elk minstens 1 goedgevuld nest leeggeschud. Afgelopen week mochten ze allemaal (de 2 soorten door mekaar) mee naar het zwembad (onze vijver).

Bovendien verdenk ik ook nog een vink ervan dat ze ergens een plekje gekraakt heeft, maar dat kan ik niet echt staven. Man en vrouw waren er gewoon net ietsje te vaak om toeval te zijn, maar dat is niet erg wetenschappelijk, he?

Vaste gasten (de één al wat frequenter dan de ander): blauwe reiger (al zit die zich tegenwoordig aardig te verbijten omdat hij niet meer bij de vissen kan), grote bonte specht (verschillende keren per dag) en groene specht (als het begint te jeuken en hij assistentie van de mieren in de tuin zoekt).
In de winter wil de sperwer nog wel eens een meesje komen plukken, maar sinds het permanente voederstation verhuisde naar de zijkant van het huis, zullen de sporadische zomerbezoekjes wel wegvallen. De doorgang en het overzicht zijn waarschijnlijk ietsje te beperkt naar zijn zin. Als we in de winter weer verspreid over de tuin voederen, komt hij zeer zeker weer zijn kans wagen.

Bosduiven zitten er ook dagelijks in de tuin. Volgens mij hebben we een oudje permanent in de voortuin wonen. Ze zat hier deze winter al vaak te rusten op de grond. We dachten toen dat ze ziek was, maar ze is er nog steeds en ze komt meestal te voet lunchen. Ze is ons al gewoon en maakt zich niet echt druk meer. Turkse tortels hebben met zekerheid een slaapnest in de klimop achteraan de tuin. Of ze, behalve slapen, daar ook nog iets anders gedaan hebben, weet ik niet.

En niet bij de vliegende brigade, maar met zekerheid weer aanwezig in de voet van die klimop: schattige bijna pikzwarte spitsmuisjes. De woelmuisjes heb ik nog niet gezien dit jaar. Maar behalve timmeren en veel rommel maken, hebben we in die omgeving nog niet veel gedaan de afgelopen maanden. De rust zal moeten weerkeren eer die zich laten zien.

Een pijnlijke vaststelling (voorlopig althans) is het feit dat we, sinds de afbraak van de stallingen naast de deur vorig jaar, het gezelschap van steenuiltjes moeten missen. Zo lang we hier wonen ( 39 jaar) hebben we elke zomer het speelgoedachtige gepiep van “uipekes” gehoord, die hun jongen komen leren jagen in de struiken en onder de haag. Maar dit jaar niets, nada, noppes. En verdorie, dat mis ik. Eén van de dagen moet ik eens op zoek naar de gegevens van de uilenwerkgroep in onze streek. Vragen of ze eens ter plekke kunnen komen kijken waar we best een uilenkast kunnen hangen.

En de egelkast? Eerlijk gezegd weet ik het niet. En vermits we er takken op gelegd hebben om ze zo een beetje “natuurlijker” te laten ogen, kan ik het deksel niet lichten om even te spieken. We zullen moeten afwachten tot we eens een bewoner naar buiten zien komen. Mogelijk is het dan niet eens een egel, maar een andere kraker.

Niets sensationeels, maar toch ben ik wel apetrots op ons mini-natuurreservaatje. Mag ik?