In Het Klavercafé …

In de polders rond Saeftinghe was het nog stil. De zon deed alle mogelijke moeite om door de ochtendnevel heen te prikken. Ze kon niet meer op tegen de kilte van de herfst, maar het licht was van een hemelse kwaliteit. Blij om de paar gestolen uurtjes en de tegenwoordigheid van geest om die aan natuurspotten te besteden in plaats van weer lusteloos en futloos op de bank te hangen, slorpten we de herfstlucht op als lege sponzen.

De akkers lagen er verlaten bij, maar langs de rand van een smal binnenstraatje zagen we een onheilspellende rij auto’s met achterin hondenbenches. Jagers!

Met de verrekijker speurden we de horizon af om de killers te vinden. Je wil immers niet voor hun lopen komen want de meesten schieten, vóór ze zich vragen beginnen te stellen. Je wil je hoofd wel tussen je oren houden, toch?

Half in tegenlicht zagen we tersluikse bewegingen. Een rij drijvers staken een grote akker over, stokken in de hand. Eén van de honden sloeg aan. Na enig speuren zagen we een haas van reuzenafmetingen wegvluchten. Het schuttersgild legde aan. Een salvo van ik-weet-niet-hoeveel schoten volgde. Wij zaten stil maar verbeten te supporteren voor Piet Langoor.

Een bange eeuwigheid seconden vreesden we het ergste. Toen zagen we onze athleet onze kant oprennen. Haken slaand spurtte hij zich naar het leven. Een luchttrappelende donkere flits tegen de azuurblauwe hemel en de haas zweefde over de kop van de dijk de uiterwaarden in. Twee zuchten van verlichting ontsnapten gelijktijdig en wasemden de voorruit van de auto aan.

De honden jankten ontgoocheld. De jagers konden we niet horen vloeken van die afstand, maar ze zullen het zeker gedaan hebben. De drijvers stonden grote gebaren te maken. Wij lagen krom van het lachen, onderuit gezakt om uit het zicht te blijven en geen pak rammel te riskeren.

En de haas? Die zat intussen in Het Klavercafé oorlogsverhalen te vertellen. Het zal hem meer dan één rondje opgeleverd hebben …

 

Advertenties

Eentje vóór het slapen gaan …

Mijn eerste blogje heette “De wereld volgens Affodil” en in die tijd verzon  ik nog wel eens een verhaaltje over de natuur. Niet erg wetenschappelijk, maar gewoon leuk om te fantaseren.

Toen ik “De wereld…” liet stoppen met draaien heb ik geukkig de tegenwoordigheid van geest gehad om de teksten te recupereren. Er zat zoveel dagboek-stuff bij die ik nu met plezier teruglees. Zoals uitspraken van de kleindochters, herinneringen aan uitstapjes en de hondjes… Af en toe ga ik daar nog eens in lezen. En soms zit er iets tussen waarvan ik denk: moet ik dat niet eens terug op mijn huidige blogje zetten? Het is eigenlijk nog altijd actueel, of het past in het seizoen, of …

Zo ook met dit verhaaltje dat ontstond nadat ik in de tuin een vlinder vond die zich met veel moeite uit zijn cocon wurmde.

Wat voor de rups het einde van de wereld is,
ziet de rest van de wereld als een begin. (Lao Tse)

Mie Rups ritste haar slaapzak helemaal dicht en vroeg zich af of ze de slaap wel zou kunnen vatten. Op het vreten van een kopieuze maaltijd groene blaadjes na, had ze de afgelopen dagen niet zo erg veel uitgericht. Ze was niet echt moe, eerder verschrikkelijk loom en lui. Bovendien was het buiten nog zo hinderlijk licht. Maar nog vóór ze de tijd vond om te beginnen piekeren, vielen haar ogen dicht en zat ze middenin een hoogst eigenaardige en verwarrende droom…

Een héél lange siësta later werd ze weer wakker. Om één of andere reden zag haar slaapzak er groezelig en verkleurd uit. Hij liet bruin-gelig licht door en rook wat muf. Bovendien leek hij wel gekrompen, zodat ze zich hoogst onbehaaglijk voelde en amper lucht kreeg. Haar poten deden pijn, haar rug jeukte en ze kreeg het veel te warm. Bijna in paniek zocht ze de rits en snokte die zo driftig open dat ze zich bezeerde.

“Eugghhh…Amaai, ik ben geradbraakt! Ik geraak hier amper uit die vieze overall. Alles doe zeer. Ik had precies dat laatste blaadje moeten laten hangen, want ik zat toch nogal krap in mijn slaapzakske.

Laat ies zien of we nog recht geraken. Wowwowwowooow!!! Wat is dat hier? Mijn kindersokskes gaan precies nie meer kunnen dienen. ‘k Gaan om panty’s moeten, denk ik. Da’s wel efkes wennen zenne mannen. Zo van die lange stekken… al goe dat er vanonder grijperkes op staan of ik zou hier rap naar beneeên liggen! Als die van hierneffest mij nu nog durft uitlachen, kan em ne sjot in zijn bollekraam verwachten met zo één van mijn superslanke gephotoshopte benen… Of mé alle zes!

Màààr ziet da! Nu droom ik al zo lang van een pelse frak en ik kom uit mijn bed met zo’n beestig vestje aan. Akkoord, ‘t is maar een bodywarmerke, maar ‘t is wel echt, hé. ‘k Voel me zo stilaan een heel madam.

En wat hangt er hier al heel den tijd voor mijn ogen te wiebelen? Zo twee lange haren. Die coiffeurs van tegenwoordig… ‘k Heb hier geen schaar bij, dus ‘k zal ze maar uittrekken of ik kijk straks zo scheel als een otter. Auw!!! Oeioei, die stomme sprieten zijn nogal gevoelig. Schoon afblijven. ‘k Zal ze efkes wat opzij proberen hangen, dan ben ‘k er ook vanaf. Euh? Wa’s da? Wacht, efkes wiebelen met die één spriet… Q-Music? Wa’s da veur iet? StùùùùùBrùùùùù? Djeezes. Wat een laweit! Zou da rechts ook gaan? Mmmm, file, depressie, recessie, agressie… Als dat Radio1 nie is! Aaaaahhhh! Da’s iets naar mijn hart! Klara’ke! Madam Botervlieg! Ik voel mij helemaal aangesproken! Zolang als ze de vlucht van den hommel maar nie spelen, want dan kuis ik m’n schup af, zenne!

Sé, en nu zou’k eindelijk wel eens willen weten wat dat die natte vodden zijn die ‘k hier in mijne rugzak zitten heb. Whaa!!! Da’s ne parapente, begot! Eigenlijk feitelijk nie mis mé al die kleurkes. Ochgot, daar vliegt er zo ene, sé. Maar da zal ‘t einde van de productie geweest zijn, als de verf al op was. Of ene van de witte producten…

Hééé! Zo niet blazen, zot! Waait es nie zo hard! Ik vloog hier bijna weg! Vloog…? Vlieg…? Vliegen…? Ik kan vliegen! Joepie, ik vlieg!!! Ziet ies ma, zonder handen!!! MAAR IK WEET NIE HOE DA’K MOET LANDEN!!! Da’s diep. Oooo, da’s diep. Da’s héél diep. Waar staan hier de freins, verdomme? Ah, dat ziet er ginder precies een zacht kusseke uit daar, dat groen met gele bollekes.

Oef! ‘t Zal wel nie op z’n elegantste geweest zijn, maar we zijn beneden en we leven nog. Amaai, da riekt hier goe. Dat riekt hier zoet. Niemand te zien? Dan ga ‘k ies proeven. Mmmm… lékkerrrrrr. Ik ben verdorie recht in een luilekkerland terecht gekomen. Die geel bollen waren snoepwinkels, verdorie! En ginder, die rooie en die blauwe, zouden dat ook kramen met zoetigheid zijn? Man, man, man, maakt mij nie wakker as dees nen droom is, want dan maakek u kapot!

Eh…? Wie is da? Die heeft precies dezelfde kleurkes as ‘kik. Zelfde club? Wow, dien heeft wel nie op een centje gekeken toen dat ‘em e reukske gekocht heeft, zenne. Chieken typ. En hij kijkt naar hier. Hij kómt begot naar hier! Hij…”

Mie, die zich niet langer meer Rups wilde laten noemen, kon nog net een ferm blad vastgrijpen en naar beneden trekken om de rest van het verhaal te onttrekken aan de nieuwsgierige blikken van de overburen…

 

 

Uit de fabels van Natuurindekijker…

Van de spin en de wesp

Er was eens een tuin met veel leuke rommelhoekjes. Er groeiden planten waar kleine, geniepige rovertjes naar hartenlust in konden spelen. Zo kwam het dat er op de lila bol van een kogeldistel een spierwit monsertje zat, een kameleonkrabspinnetje (Misumena vatia). Ze kon uren roerloos zitten wachten tot er zo’n domme aardhommel (Bombus terrestris) in haar netten verstrikt raakte.

Nu ja, uren hoefde ze vaak niet eens te wachten want die dikkoppen kwamen met massa’s op die bloemen af. Hommels mogen dan wel groot en sterk zijn, erg slim zijn ze niet. Als ze nectar gevonden hebben gaat hun verstand op nul. En dus werd ons krabspinnetje in no time een heuse krabspin.

In die tuin hing ook een raar houten ding met allemaal takjes en stokjes met gaatjes in. Een insectenhotel. Op die zonnige zondag in augustus kwam er een raar zoemend en krassend geluid uit dat hotel. Je moest wel een beetje opletten, want van de nabijgelegen snelweg kwam veel lawaai, maar toch kon je het horen. Het leek wel of iemand hout zat te kauwen met grote sterke kaken.

Eerst was het niet helemaal duidelijk in welke kamer de luidruchtige gast zich bevond, maar toen kwam ze (want het was een echt vrouwtje, zij het niet van koninklijken bloede) naar buiten en liet haar ware aard zien. Het was een ranke, slanke wesp. Helemaal in een strak zwart pakje, zoals al die moeilijke karakters in misdaadfilms. Het was een spinnendoder uit de legerscharen van de Pompiliidae.

De krabspin, volgevreten en loom van de zon, was niet erg oplettend en dat zal ze zich intussen al dik beklaagd hebben, want opeens voelde ze een prik en toen niets meer. Ze zag eerst één poot naar beneden dwarrelen, toen nog één en toen werd ze opgetild en door de lucht meegenomen naar het hotel. Een ontvoering op klaarlichte dag! Ze werd in een donkere gang geduwd en vastgebonden aan de muur. Toen ging dat zwart venijn met haar kont zitten wiebelen tot ze een ei uit haar smalle lijf geperst had en dat kleefde ze aan de verlamde spin vast.

Als de spin gehoopt had dat ze nog kon ontkomen als de pikuur eenmaal uitgewerkt was, dan kon ze dat snel vergeten. De glimmende kidnapster vloog enkele keren naar buiten en kwam telkens terug met metselspecie. En op enkele minuten tijd was de vluchtweg helemaal dicht gemetseld.

The movie

Ruzie…

Met z’n drieën zitten ze bij een tafeltje. Een voorzichtig voorjaarszonnetje in een beschut hoekje laat een zomer lang terrasjesweer verhopen.

Ze zien er uitermate deftig uit, keurig in hun zwarte pakjes. De vlekkeloos witte topjes blinken in het lentelicht. De zwarte hoedjes bewegen heftig op de kadans van de discussie terwijl de nieuwste roddels gretig worden uitgewisseld.

Het gesprek is in volle gang als vlak bij hun tafeltje een heerschap in groen uniform plaatsneemt. Vanuit zijn ooghoeken neemt hij het gezelschap even op maar bemoeit zich verder niet met hen. Ook hij laat zich in vervoering brengen door het onverwacht mooie weer.

Toch is er een zekere spanning te merken. De kletstantes buigen zich nu fluisterend naar elkaar toe en maken enkele kribbige opmerkingen die wel door hun buurman móeten gehoord worden. Als een echt gentleman houdt hij zijn gezicht in de plooi en gaat niet in op de giftige blikken en onverholen vijandigheid van het groepje.

Tenslotte verlaten de drie roddelaarsters hun plaats en stappen, luid scheldend, op het geschrokken uniform toe. Er worden wat onaangenaamheden uitgewisseld, er komen enkele krachttermen aan te pas en uiteindelijk begint het trek- en duwwerk. Opdringerig sluiten de drie eksters hun slachtoffer in en steken hun nijdige snavels naar hem uit. Bij zoveel overmacht kiest de groene specht eieren voor zijn geld en verdwijnt in de richting van een knotwilg waar hij een half uur aan een stuk zijn frustratie op uitwerkt.

Bomen en de toekomst…

Er zijn de klassieke westerse horoscopen, de alom bekende Chinese horoscoop, maar deze week stootte ik tussen de bibliotheekoogst van Manlief op “De boomhoroscoop” van Esmée Van Doorn, René M.M. Boumans en Jan J. Huiberts (ISBN 90-389-1250-1).

Aan de tussenletters in de namen kan men al gissen dat het Nederlanders zijn. Een vermoeden dat nog versterkt wordt door het voorwoord van niemand minder dan prinses Irene van Lippe-Biesterfeld. Nou, van adelbrieven gesproken!

Ik ben er nog niet ver in opgeschoten vanwege de eindejaarsdrukte, maar het lijkt me wel leuk om me doorheen de wetenswaardigheden, legenden en verhalen in het boek te werken. Misschien zit er zelfs nog een ideetje in voor dit blog.

Feit is dat de Kelten aan de hand van een bomenhoroscoop mensen typeerden zoals we dat ook voor de andere horoscopen kennen. Je weet wel: een vis (waterman, ram, stier, …) heeft die en die karaktertrekken en past wél bij … en helemaal niét bij …

Maar er zijn nog andere weetjes te vinden in het boek. Ik ga het dus eens rustig uitpluizen en kom er later nog op terug.