“Thuiskomen” is ook …

… je nieuwe omgeving gaan verkennen. Gewoon “op de wilden boef” – zoals een Waaslander dat nog wel eens wil uitdrukken – de hort op gaan, de voor de hand liggende wegen vermijden en bewust verloren rijden. Tegenwoordig is dat niet eens een drama, want met een gps ben je zó weer op het rechte pad.

Nu we volledig uitgepakt en opgeruimd leven, vond ik het gisteren na het avondeten het ideale moment om aan die zwerversdrang toe te geven. Mooi, laag licht. De weekendgasten op weg naar huis. Filmtas, verrekijker en statief de auto in en wegwezen. Zo gauw mogelijk de kleine wegjes opzoeken om de verborgen hoekjes te vinden. Of een afslag nemen, enkel omwille van de naam op de wegwijzer: een beproefd recept! Strooienstad, Oude Stoof, Stoppeldijkpolder, … Ze hebben hier wel verbeelding, die Zeeuwen. Ik heb zo’n donkerbruin vermoeden dat achter elk van die namen een heel verhaal schuil gaat. Daar moeten we ook nog naar op zoek.

Ter hoogte van het Hellegatschor zet ik de auto aan de kant en loop de dijk op. Het is hoog water en tegen de dijk aan zwemt een groep ganzen heen en weer. Net als ik hen wil filmen vliegen ze op. Ik kan niet eens een reden ontdekken voor dit plotse vertrek. Geen loslopende hond, geen wandelaar die te dicht naar de voet van de dijk loopt, … Blijkbaar was het zachte gegak in de groep een overleg over “waar zullen we vanavond eens de laatste graantjes gaan oppikken” en heeft iemand de knoop doorgehakt en het startsein gegeven.

Ik ben al half omgedraaid om de polders achter de dijk in de lens te nemen, als ik een groepje vogels zie landen in de begroeiïng tussen water en land. Verrekijker erbij en Ping! de haartjes op mijn armen gaan steil omhoog staan. Zie ik écht wat ik denk te zien? Mijn wederhelft had een paar dagen terug al een éénling gemeld, maar zijn dit écht elf (11!) regenwulpen? Ik ben nog wat veraf, maar voorzichtig sluip ik een eindje dichterbij. Geen te grote bewegingen, het statief al wat uitschuiven, de camera alvast startensklaar houden, niet vergeten ademen. Vooràl niet vergeten ademen!

Maar nét binnen zoombereik, maar onmiskenbaar zit er een regenwulp wat afgezonderd van de groep.

Nog een paar passen dichterbij en ik krijg er nog een stuk of 10 in het vizier.

De rest van het scenario dat ik in gedachten had, valt in het water vanwege twee fietsers die van de andere kant afkomen en “mijn” vlucht regenwulpen de lucht in jagen. Jammer, want ik had nog een stukje dichterbij willen komen. Maar hoe dan ook: mijn avond kan niet meer stuk.

Langs akkers waar nog volop geoogst wordt onder een lage zon, rij ik richting Kloosterzande. In mijn hoofd zingt Brel over “zijn vlakke land” en ik denk “dat van mij is nog platter, man!”. Want na zes maand voelt het toch ook al een beetje als “dat van mij”.
Als ik thuis de camera aansluit op de pc trillen mijn vingers van opwinding.

De maandagvoormiddag is – voorlopig toch nog – gereserveerd voor de hondenschool, dus het is pas na de lunch dat Manlief me tot bij de vijver wenkt.

Op de armleuning van een stoel zit een bloedrode heidelibel.

Ze lijkt wel zin te hebben om naar beneden, naar het wateroppervlak te vliegen, maar ik zie wat haar tegenhoudt: een uitgerafelde keizerlibel is volop voor de volgende generatie aan het zorgen.

En het is file aan de vijver: een paardenbijter wacht ook op een kansje.

 

Advertenties

Duidelijkheid …

Dat is wat we vooral moeten verkrijgen over de tuin. Over wat de Engelsen “hard lanscaping” noemen, zijn we het al wel eens geworden: welke paadjes blijven, welke worden opgebroken, waar komt gras en wat doen we met die met klimop begroeide “arc de triomphe” en  met die plastic vijver (voor beide geldt: wegwezen).

Over de beplanting is er minder duidelijkheid. Je moet eerst weten wat er staat en naar waar je het eventueel wil verplanten, vóór je over nieuwe aanwinsten kan gaan nadenken. Zoals eerder gemeld, ben ik voorstander van continuïteit in de bloei. Om er zeker van te zijn dat eventuele gaten in mijn geheugen ons geen dubbel werk bezorgen, ga ik nu een fotografische inventaris maken. Jeppe presenteert zich voor vandaag als gids:

DSCN2065

Het tuinhuis aan de rechterkant is gedoemd te verdwijnen wegens zo rot als Brusselse stinkkaas. We hebben het tijdelijk opgelapt zodat de fietsen nog even onderdak hebben tot het nieuwe tuinhuis er is. Intussen staat daar een knalgele forsythia naast te pronken. Blauwe druifjes hebben hier en daar een gaatje gevonden in het plantfolie, dat -samen met een paar ton grind- onder mijn ogen uit moet. We staan nog in dubio of we dit voederhuisje behouden of vervangen door de paal met cilinders die we meegebracht hebben uit Kruibeke. Vermoedelijk het eerste en dan komt die paal in de volgende foto.
Van de scheefgesnoeide boom/struik links van het voederhuisje zijn we nog niet zeker wat we er van mogen verwachten, maar het zou weleens een paarsbladige cotoneaster kunnen zijn. Jeppe wacht vol ongeduld op de ontwikkelingen vooraan in beeld. Hier en daar staan wat plukjes spirea en hortensia’s vinden we overal in volle grond zowel als in pot. De buxushaagjes verdwijnen. Wat er voor in de plaats komt weet ik nog niet, maar het moet in elk geval minder formeel zijn (en geen scheerbeurt nodig hebben).

DSCN2063

Dit is dus die beruchte “arc de triomphe”, van de zijkant gezien. Op zich hebben we niks tegen klimop, integendeel. Maar deze boog staat echt op de meest verkeerde plaats. Tenzij je het naar de straat brengen van een afvalcontainer als een triomftocht beschouwt. Knal in de focus, zodat je erachter net zo goed niets meer kan zetten want je ziet er toch niets van. Weg. En eventueel een beter plekje zoeken om klimop te zetten. Die mini-duiventil staat naast een plastic vijver die over geen enkele vorm van charme beschikt en dus noch vogels, noch andere vormen van leven kan verleiden om onze tuin wat vaker te bezoeken.

DSCN2062

De grijsgele tegels rechts worden vervangen door gras. Het roodgrijze dambord moet plaats maken voor een verbreding van het perk op de voorgrond. Het pad komt dan (met andere tegels) meer naar links, zodat er meer evenwicht in de beplante zones ontstaat. Alle hortensia’s zou ik in het linker perk bij elkaar willen zetten, zodat ze in de bloeitijd één groot boeket vormen (met een beetje geluk zelfs in verschillende kleuren). In dit rechter stuk moeten vooral bollen en veel kleinere bloeiende planten komen (o.a. die schoenlappersplant).

Ik had eerst bedacht om klimop tegen die dode boom in de achtergrond te laten klimmen, maar bij nader inzien is dat misschien niet zo’n goed idee, want de struiken errond gaan ook gewurgd worden. Wat er langs dat klimrekje aan het andere tuinhuis groeit, moeten we nog even afwachten. Een druivelaar? Voorlopig ziet het er nog kaal uit (maar dat is ook in Kruibeke het geval bij onze druivelaars). De afvalbakken zijn wat verplaatst, want de pimpelmezen die in het nestkastje zitten, vonden het niet prettig als hun zicht belemmerd werd door een openklappend deksel. Klant is koning …

DSCN2058

Tussen al dat struikend geweld heb ik toch speenkruid en mini-viooltjes gevonden:

DSCN2066

Van de meeste planten hebben we intussen wel door wat het is en dus wat we er kunnen van verwachten. Maar af en toe zit er toch een verrassing tussen. Zo was tot een paar weken terug absoluut niet te bedenken wat het kleine struikje naast het raam van de voorraadkamer was. Begin deze week kregen we al een vermoeden en sinds gisteren is er geen twijfel meer mogelijk: Magnolia kobus. Ik heb het niet zo voor magnolia’s. Vooral niet voor die met die enorme, bijna kunstmatig ogende lotusbloemen. Té overdreven. Maar deze kleinbloemige soort zou weleens mijn hart kunnen stelen:

En om op een makkelijke manier te weten te komen wat hier allemaal welig zou kunnen tieren, hou ik de voortuintjes in het dorp in de gaten. Van twee planten kan je al met zekerheid stellen dat die zich hier thuis voelen. Overal staat (winter/voorjaars)heide in volle bloei. Stevige, weelderige struiken waar geen takje van te zien is vanwege de uitbundige bloemen waar kilo’s hommels en bijen omheen zoemen.
Een andere plant die het goed doet, is de schoenlappersplant of olifantsoor. Ik had er ook een paar staan in Kruibeke, maar die zagen er altijd uit alsof ze zich afvroegen:”gaan we dit jaar dood of wachten we nog een jaartje?”. Hier heeft iedere voortuin een aanzienlijke partij van die voorjaarsbloeiers staan. Allemaal dingen die ik hier moet noteren (onthouden is hopeloos) voor als we aan de slag kunnen. Als de aannemer nu snel de nieuwe omheining komt plaatsen en al de afgedankte “landschapselementen” uit de tuin meeneemt, kunnen we er in vliegen. Mijn handen jeuken al!

Eén vaststelling hebben we al gedaan: onze tuin mag dan maar 1/3 zijn van onze vorige, het zal ons niet aan “huurders” ontbreken. Van de genoemde pimpels verwachten we dat ze het al naar hun zin hebben. Ze zijn naarstig aan hun eigen verbouwingen bezig. Ook regelmatige bezoekers (al denk ik dat ze bij de buren intrekken): een stel merels, een aantal spreeuwen waarvan er eentje is met een respectabel repertoire imitaties, gaande van buizerd over mobieltune tot een baasje dat naar zijn hond fluit. Bij de vlinders konden we al kleine vos, citroentje, (Icarus?)blauwtje en koolwitje noteren. En vorige week kwam een penseelkever kijken wat er in de postbus stak.

En niet in onze tuin, maar er niet ver vandaan staat al pinksterbloem te bloeien. Iets zegt me dat het een spannende lente wordt!

Uitgeteld …

Er werd gisteren en vandaag dus geteld ten huize van. Vlinders, om precies te zijn. En hoewel we elk fladderend juweeltje uitermate bewonderen en er van genieten, was het best wel teleurstellend.

Ergens hoop ik dat dat overal een beetje zo geweest is, al is dat dan in eerste instantie alarmerend te noemen. OK, het weer van de 12 maanden die volgden op de vorige telling zal ook zijn invloed gehad hebben. Of dat normaal gezien in positieve of in negatieve zin moest zijn, laat ik aan de experts over. Ik hoor/lees graag hun conclusies de volgende dagen.

Als het géén algemeen verschijnsel is, ben ik helemaal teleurgesteld. Ook al had ik al gepland om in het najaar en volgende lente nóg meer vlinder/bijenplanten te zetten om geen onderbrekingen in de bloei en dus in de nectarbevoorrading te hebben. Maar het is lang geleden dat we zo weinig vlinders in de tuin hadden. En dat niet alleen in het telweekend, want dat is een kunstmatig gekozen tijdstip waarop je veel geluk of dikke malchance kan hebben. We hadden ook (onbedoeld, door familiale omstandigheden, zeg maar) voor het eerst een strook ongemaaid grasveld naast onze tuin, maar daar heb ik vooral de hond in zien lopen. Misschien moet die spontane ruigte nog even een jaartje langer “maturiseren”. Ik hou het in elk geval in de gaten. Als de vlinders er niet rondvliegen kunnen de rupsen er al wel zitten.

Nee, het is al een heel seizoen dat Manlief en ik ons er over verwonderen dat we zo weinig van die vliegende kunstwerkjes in de tuin hebben. Nochtans zijn er speciaal voor hen struiken en vaste kruidachtigen aangeplant en dat werd de voorgaande jaren ook heel erg geapprecieerd. Als de klimop (voor de allerlaatste vlinders, maar vooral voor hommels en wilde bijen) uitgebloeid is en de brem en eerste voorjaarsbloemen hun beurt gehad hebben, worden ze afgelost door sieruien, kogeldistels, heide, lavendel, tuinkruiden, kievietseitjes, seringen, vlinderstruiken, venkel (in de hoop dat we op termijn meer dan alleen die éne eenzame koninginnepage van vorig jaar kunnen verwelkomen) en het meer dan overrijpe fruit aan die paar fruitbomen die nog overeind staan. Tegen die tijd wordt de klimop weer wakker en is de cirkel rond.
Er is nog altijd waterdrieblad in de vijver (al moet ik dringend wat andere waterplanten korten om verdrukking te voorkomen), maar op één shlemmielig pubertje na hebben we nog geen olifantsrupsen gezien. Al denk ik dat het nog wat vroeg is om daar conclusies uit te trekken, want we zijn pas begin augustus. Meestal zie je die kanjers van rupsen pas na moederdag.
In de insectentuin is een nieuwe vuilboom aangeplant, want ik heb de indruk dat de exemplaren in de haag door het snoeien niet goed genoeg functioneren als waardplant voor de citroentjes. Naast de achterdeur hebben we seringen en toverhazelaar aangeplant om na de volgende winter meteen een ferme start te maken.

We zijn m.a.w. een beetje op onze honger blijven zitten, dit jaar. Desondanks gaan de plantplannen door in herfst en lente, zodat onze tuin desnoods als een laatste toevluchtsoord kan dienen om bepaalde soorten te helpen overleven.

Een evolutie die ik opmerk in mijn onmiddellijke omgeving (een hond zorgt niet alleen voor meer beweging, maar je bekijkt je leefomgeving opeens vanuit een ander perspectief en vooral aan een veel lager tempo): er zijn sinds vorig jaar een aantal maïsakkers omgevormd tot hooiland/weiland. Ik kan alleen maar hopen dat dat een omslag ten goede is. In het veld achter ons huis worden vrijkomende akkers opgekocht door een veeboer die er weiland van maakt en er hooit. Een blok verder zijn er ook met zekerheid al twee nieuwe hooilanden bij gekomen. Dat moet op termijn toch iéts geven? Iemand?

Onze tellijst van afgelopen weekend:

2 kleine koolwitjes, 1 groot koolwitje, 2 bonte zandoogjes, 2 oranje zandoogjes, 1 dagpauwoog, 1 atalanta en (waarschijnlijk, en dus niet doorgegeven) 1 gehakkelde aurelia.

De agelopen weken zagen we ook nog atalanta, kleine vos, dikkopje en een niet nader genoemd blauwtje, maar die vallen buiten deze telling.

DSC01064 DSC01065

Zeg hé, tel je mee …?

“Zo te sterven op het water met je vleugels van papier”. Boudewijn de Groot schreef dit ultieme vlinderlied jaren geleden en ik moet er nog altijd aan denken als ik zo’n stukje kleurig “papier” van bloem naar bloem zie fladderen. Ik vind het ook geen treurig lied. En voor mij is het het hooglied van het vlindertelweekend. Ik ga er dus vandaag en morgen de hele tijd mee in mijn hoofd zitten.

Wel een beetje lastig tijdens het tellen, natuurlijk …

Van weiden als wiegende zeeën …

… en andere schone dingen.

We zijn er nog eens op uit getrokken. Met de één-na laatste snoepreisbon die ik vorig jaar gekregen heb. Op die paar dagen dat het weer in feeststemming was, de afgelopen week. Ge moet maar chance hebben.

In onderling overleg hadden we eens een keuze gemaakt buiten ons natuurlijke biotoop. We trokken naar de Kempen, op de grens tussen de provincies Antwerpen en Limburg. Naar Balen, om precies te zijn. Waardoor we ons nu een beetje zedelijk verplicht voelen om morgen op tv naar “Groenten uit Balen” te kijken, want dat is er precies om gedaan, he?

We kozen voor de 15inn en kregen de “Terre”- kamer toegewezen, met uitzicht over de weilanden met schaapjes en een prachtige dreef, die we een volgende keer nog eens moeten verkennen wegens nu geen tijd meer. De fietsen mochten mee want we wilden ook voor het eerst eens een knooppuntenroute volgen. Gezien onze beperkte ervaring, het feit dat we de streek van haar noch pluimen kenden en er ons heel bewust van waren dat we dit jaar nog bijlange niet genoeg gefietst hadden voor grote exploten, had ik thuis een paar korte routes uitgestippeld. Er “moest” tenslotte ook nog gewandeld worden.

Om het maximum uit die 2 dagen te halen, waren we tegen 10u al ter plaatse. Uiteraard was de kamer nog niet beschikbaar, maar we konden de auto al op het erf kwijt. De fietsen werden afgehaakt en we maakten al een ritje om de naaste omgeving te leren kennen en een beetje gevoel voor oriëntatie te krijgen. Overal zagen we de knooppuntenpaaltjes staan en we raakten er warempel zelfs wijs uit.

Na een uurtje of 2 waren we weer bij af, stalden de fietsen in het schuurtje en stapten in de auto om op zoek te gaan naar het middageten. En een (regen)jasje voor mij, want door een misverstand was dat ’s morgens thuis blijven liggen en zo erg vertrouwden we het weer nu ook niet. Op beide punten waren we vrij snel bediend, dus keerden we terug naar onze B&B.

De kamer was intussen vrij en we trokken iets handiger kleding aan om aan de overkant van de straat natuurgebied “De Rammelaars” in te trekken. De natuur viert momenteel hoogtij. Het ontbreekt de insecten niet aan een ruime keuze aan nectarwinkeltjes. Ze waren dan ook overvloedig aanwezig. Klein geaderd witje, bruin zandoogje, dikkopje, (de rups van) de dagpauwoog, waterjuffers, glazenwassers, platbuiken, penseelkevers, … iedereen was op pad. In de verte verried een eenzame koekoek even zijn aanwezigheid en Manlief meende een paar keer een wespendief te zien.

Hoewel we eigenlijk slechts via een achterdeurtje in het natuurgebied waren gekomen (de hoofdingang lag amper een paar honderd meter verder, maar dat merkten we pas de volgende dag) haalden we dus een rijke oogst binnen. Waarna we met een fris biertje op het terras van ons logeeradres gingen nagenieten.

Avondeten en nog een ritje richting Lommel-Kolonie (waar we nog verre herinneringen van een wandeling aan hadden) en dan naar bed. Door de ramen konden we net niet de schaapjes tellen, maar één voor één riepen ze ons goedenacht toe, en als je dat telt ben je ook vertrokken.

Dag 2 begon met een lekker ontbijt en één van de fietsroutes die ik thuis uitgeprint had. Uit langvervlogen tijden had ik nog een handig tasje overgehouden om aan mijn fietsstuur te hangen om daar de routebeschrijving in op te bergen, zodat ze de hele tijd zichtbaar was. Het eerste deel was best leuk (via het jaagpad langs het kanaal naar Bocholt), daarna volgde een lang stuk dat vlak naast een drukke weg liep. Dat was dus een stuk minder leuk, maar dat lag vooral aan onze onbekendheid met de streek. Uiteindelijk belandden we bij de watermolen in “het Grote Netewoud”. Een prettig gesprek onder gelijkgestemden (met de verantwoordelijke van Natuurpunt), een paar frisse drankjes (lokaal biertje voor mijn wederhelft, heerlijk appelsap voor mij), een leesboek voor één van de kleindochters en een folder met “3 wilde wandelingen” vielen ons daarbij ten deel. Het laatste stukje van de route leidde langs een uitnodigend terras waar we net op lunchtijd arriveerden. ’t Kon niet beter passen.

Na de middag besloten we eens te gaan kijken wat er nog van “de Kolonie” overblijft. De auto mocht in de schaduw van het Wateringhuis blijven wachten. Wij vertrokken langs weiden en velden. En een groot stuk langs een asfaltbaan. Misschien niet de gelukkigste keuze. Maar dat is leergeld. Nu we de tijd gekregen en genomen hebben om die brochure grondig te bestuderen, openen zich perspectieven voor een andere keer.

Een redelijk mislukt etentje (mijn vleesschotel was onetelijk zout, wat volgens de Thaïse kok de schuld van de slager was ?????), een tweede zalige nacht in schapenland en een tweede heerlijk ontbijt later zat dit uitje er op. Een paar tegenvallertjes, wat leergeld, maar vooral: ons wreed goed geamuseerd!

Thuis werden we al snel op de vingers getikt door ons “eigen” gevederte: we werden dringend verzocht de feeders eens bij te vullen. De bonte heeft er zelfs een trucje op gevonden om zich in barre tijden aan de pindakaaspot vast te klampen:

Pa en Ma Groenling hebben intussen hun zoon/dochter wandelen gestuurd (of ze hebben een nanny ingehuurd), want ze komen nog maar met z’n tweeën eten:

En met wat moeite kon ik nog net door het keukenraam een jonge roodstaart filmen op een boomstomp aan de achterdeur. Blijkbaar hebben zijn oudjes dan toch nog een leuk plekje gevonden in de voortuin:

 

Autumn leaves …

De ochtendstond krijgt steeds meer nevel en rood in de mond. Het zomerse goud maakt plaats voor meer ingetogen herfsttinten. In tegenlicht ziet de zonsopgang er nog steeds verblindend uit:

DSC00320

maar als je “meelicht” kijkt, krijgt alles een roze gloed:

DSC00321

Het valt niet meer te ontkennen: de herfst is begonnen. En met de herfst komt geleidelijk aan de schaarste voor wie buiten een kostje bijeen moet scharrelen. Een beetje hulp is daarbij altijd welkom.

De rode vruchtjes van de taxus zijn blijkbaar erg in trek bij de merels. Ik zie dagelijks één van onze “huurders” voortdurend af en aan vliegen, snel een rood juweeltje plukken en dan als de gesmeerde bliksem weer wegvliegen om het ergens rustig te kunnen oppeuzelen. Dacht dat die vruchtjes giftig waren, maar sommigen kunnen er blijkbaar toch tegen. En het levert nog een wederdienst op: elk jaar heb ik weer nieuwe zaailingen om tussen de wat ouder wordende haag te poten.

DSCN1628

Ook de zaadjes van de rudbeckia’s vinden vlot aftrek. Hopelijk blijven er nog wat over als de trekkertjes arriveren. Vorig jaar waren de vinken dolenthousiast over het feit dat ik de uitgebloeide bloemhoofden ongemoeid had gelaten. Té snel beginnen opruimen is nergens goed voor. Ik vind die fondantkleurige kopjes trouwens ook mooi.

DSCN1620

Maar er is meer nodig om onze vliegeniertjes door de winter te loodsen. Daarom hebben we vandaag aan de haken tegen de garagegevel al feeders klaar gehangen en ook één voedertafel staat al op haar plaats. Zo gauw het gazon niet meer hoeft gemaaid te worden, kan de hoge paal met de lange feeders ook op zijn winterstek. Die zijn vooral bedoeld voor de grotere vogels. De kleine exemplaren aan de garage hebben beschermkooitjes rond de cilinders en daar moeten de vogels nog een beetje aan wennen. Wat ze nu een beetje eng vinden omdat ze “opgesloten” zitten, kan later hun leven redden als de sperwer langs komt en houdt de grote agressieve eters (merels, spechten, … ) uit hun buurt zodat ze rustig van al het lekkers kunnen snoepen. Al begin ik me wel vragen te stellen bij mijn keuze van de uithangbordjes …

DSCN1617

 

DSCN1618

 

DSCN1619

Voor de insecten is het zaak om nog in extremis zoveel mogelijk bloemen te bezoeken ook al worden die met de dag schaarser. Van onschatbare waarde voor deze snoepers zijn de onooglijke bloempjes van de klimop. Miskend en volgens mij is dat volledig ten onrechte, want zelfs zonder flamboyante kleuren en exotische vormen kan een bloem mooi zijn. Veel tuineigenaars ontzeggen zichzelf en de natuur deze pracht door hun klimop erg kort te snoeien. Vooral bij oude planten is het de moeite waard wat minder voor de marinierscoupe te kiezen. De klimop krijgt pas op hogere leeftijd “vrouwelijke onderdelen”, zijnde takken met elipsvormige bladeren en bloeiwijzen. Na een jaar of 30 kan het er dan zó uitzien:

DSC00327

DSC00335

En zolang de voorraad strekt zijn er afnemers:

DSC00336Wie “herfst” zegt, denkt “paddestoelen” ook al zijn die er bijna het hele jaar rond (behalve in hartje winter misschien). De overgebleven “stoempen” van een oude appelaar en de catalpa worden langzamerhand door de opruimdienst afgebroken. Ook verval heeft mooie kantjes:

DSC00340

DSC00341

DSC00342 Er is maar één soort sloop waar ik niet mee kan lachen. Het zorgvuldig gezaaide en verzorgde nieuwe gazon moet er – net als de niet meer zo nieuwe gras/mosvlakte vooraan en de pelouzekes van de buren – wel erg drastisch aan geloven. De buurt lijkt wel één groot mijnenveld:

DSCN1611 DSCN1613 DSCN1614 DSCN1615

 

Ik ben er nog niet uit of het om mollen dan wel om woelratten gaat. Ik neig eerder naar dat laatste, omdat ook de gangen heel oppervlakkig liggen. Op foto’s 1 en 2 is dat duidelijk te zien. Naast de scheidingsdraad met de buur is een grasvrije strook en daar is een gangen- en hopenstelsel van ruim 15m lang. En je hebt er nog geen 5 minuten geleden met de maaier overheen gereden of er “groeit” alweer iets leuks (NOT) op de oude plaats.

Als je “wild life” in de tuin wil, zal het wel alles of niets zijn, zeker?

 

Gehackt…?

Schimmels zijn rare wezens. Zó raar dat men ze maar “op zichzelf” gecatalogeerd heeft, want men weet er nog altijd niet zo goed blijf mee.
Schimmels doen ook rare dingen. Zijn lijken erg hulpeloos, maar je kan maar beter niet je goede hart tonen, want dan hebben ze je bij de lurven. Schurken zijn het, geniepigaards.
En dan heb ik het nog niet eens over die jeukende, hardnekkige huidverslindende smeerlapjes die tussen je tenen kruipen. 

Nee, er zijn er die zich in de loop van de tijd ontpopt hebben tot echte hackers. Veel kleinere diersoorten (o.m. insecten) kunnen er van meespreken. Of toch niet, want tegen de tijd dat ze in de gaten krijgen dat er “iets” niet klopt kunnen ze geen alarm meer slaan. Vaak eindigt het met een soort zelfmoordscenario, dat echter wel degelijk door de binnengedrongen schimmel tot eigen meerdere eer en glorie zo geprogrammeerd is in het systeem van zijn gastheer.

De afgelopen dagen zag ik al een paar keer hommels gekke rondjes lopen, maar de hele realiteit drong pas vanavond tot mij door toen ik het ook filmde. Toen ik achteraf de beelden bigger than life bekeek, vielen mij een paar dingen op:

– op het obstinate poetsen na geven ze een nogal futloze indruk
– er is vaak sprake van duidelijke “evenwichtsstoornissen”; de hommel heeft moeite om zich recht/vast te houden en slaat vaak naar één kant over
– heel in het begin van het fragment (waarvan ik hoop dat jullie het in full screen kunnen bekijken want anders merk je het niet) lijken er zich tussen borststuk en achterlijf belletjes te vormen onder de buik (of aan de pootgewrichten?) van de hommel waarna hij obsessief begint te poetsen
– het ritueel eindigt met een rondedansje waarna de hommel duidelijk even op adem moet komen

Is dit nu zo’n geval van schimmelinfectie bij hommels? Is dit dier zijn boordcomputer gehackt? Is er een (hommel-)dokter in de zaal? Anders is een programmeur misschien ook goed …