IMMObiel …

Verhuizen brengt soms méér veranderingen mee dan je oorspronkelijk gedacht had. Vooral als je de grens oversteekt. Zo moet je ook een andere nummerplaat op je auto, één van het land waar je je hoofdverblijfplaats hebt. In ons geval Nederland dus, ook al blijven we twee ouwe Belgen. En dat gaat dus niet in 1, 2, 3.

We hadden het geluk dat onze auto nét een dag of wat ouder was dan 6 maanden (toeval, o, toeval 😉 ) toen we op ons nieuwe nest neerstreken. Dat is best wel een hele besparing, want dan kan je vrijstelling van BPM aanvragen (nu volgt dus een rist afkortingen waar ze in Nederland dol op zijn en waar je als inwijkeling maar glazig tegenaan hikt). Dat betekent dat je je auto niet als voertuig moet invoeren (met invoertaks als gevolg) maar dat hij bij de verhuisboedel gerekend wordt. Toen ik belde om te weten of dat lang duurt en of ik dan intussen al een APK-attest moest ophalen en of ik voor de RDW helemaal naar Roosendaal moest, kreeg ik te horen dat dat alles tussen 2 en 8 weken kon duren, afhankelijk van hoe druk het is. En dat het op dat moment behoorlijk druk was. Yeui!!! en we hebben maar 5 weken meer tot de vakantie!

Na 2 weken hadden we de vrijstelling in handen, dus een afspraak gemaakt bij het RDW in – jawel – Roosendaal. Die afspraak viel op een ambetant uur, want nét na de middagpauze en wij voorzien graag een beetje marge kwestie van zeker op tijd te zijn. We besloten er een dagje Roosendaal van te maken. Kort door de bocht: we zijn op een regendag 6 uur van huis geweest, hebben vooral de binnenkant van een winkelcentrum gezien (13 in een dozijn, weet je wel), hebben ook nog ruim wat tijd gezeten in dat RDW-centrum en konden -na een APK-controle van minder dan 5 minuten (inclusief babbeltje en grapjes)- met een goedkeuring naar huis. En met home-made kentekenplaten met een ééndagsnummer. We voelden ons echte ééndagsvliegen, zelfs als we traag reden.

Papieren doorsturen naar de belastingdienst en dan hopen dat de kentekenkaart (soort bankkaart waar je kentekennummer op staat) in de bus valt tegen eind van de week. Ondanks Dodenherdenking en Bevrijdingsdag. Want zoveel geluk hadden we dan ook nog: 4 en 5 mei vielen in die 5 werkdagen die het normaal duurt om dat kenteken toegewezen te krijgen.

In de tussentijd heb je dus geen kenteken (ook je Belgische platen zijn dan verbeurd verklaard) en spendeer je een autoloze week (minstens). Vandaar de reden waarom we zo ongeveer ons bed naast de brievenbus hadden staan. Niet dat we zo’n auto-addicts zijn, maar je zal zien dat er net dan wat voorvalt op het thuisfront.

Vrijdag (Bevrijdingsdag!) kwam dan de bevrijdende omslag. Wijle (redelijk klandestien) naar een APK-station, want alleen daar mag je je kentekenplaten laten maken. Die hingen er binnen het uur op, maar daarmee ben je dus nog niet verzekerd. Want zó bevrijd waren ze bij de verzekering rond dat uur al wél. Net gebeld: binnen het half uur is dat in orde en worden we weer mobiel.

Hebben we de auto erg gemist? Maar neen, gij. Degene die hem nog het meest gemist heeft, is de hond. Jawel: Jeppe was eerst helemaal niet auto minded. Nu heeft hij ontdekt dat je ermee naar een heel plezant plekske kunt rijden waar hij los kan lopen. Gevolg: ik moet hem uit de auto slepen. Als het aan hem ligt, blijft hij in de auto wonen …

Bijna tastbaar …

Vlakbij huis kunnen we bij laag tij op een klein strandje terecht. Voor Jeppe van nu af aan vakantie dichtbij huis.

Achteraf heeft hij nog maar 2 dingen nodig: eten en een zacht kussen om te slapen. Dan heb je geen kind meer aan hem.

Als je tot op het einde van de pier loopt zijn de grote vrachtschepen zo dichtbij dat ze bijna tastbaar lijken. Dan pas zie je hoe indrukwekkend groot ze zijn.

Maar de nieuwe omgeving is ook op andere manieren, in andere vormen tastbaar aanwezig. Nieuwe geluiden, vooral ’s nachts. En Jeppe moet daar nog aan wennen, want hij maakt me elke keer wakker om gerustgesteld te worden. Afgelopen nacht hoorde hij wellicht het geluid dat hoort bij de reuk die nog in zijn pels hangt (hij heeft zich weer eens gewenteld tijdens de wandeling) en – ondanks herhaald wassen – nog een beetje aan mijn handen: sterke muskus, vermoedelijk afkomstig van een vos op vrijersvoeten. Het hese keffen was slechts kort hoorbaar (gelukkig, want anders was er helemaal geen slapen meer aan te pas gekomen), maar kwam van vlakbij. In Kruibeke heb ik wel vaker vossen gezien en geroken, maar dit is de eerste keer dat ik het geluid hoor.

Hopelijk is mijn fiets één dezer weer rijklaar, zodat ik met Manlief eens een eindje kan gaan rijden. Dan kan ik de camera meenemen en stabielere beelden maken. Voorlopig moet ik het stellen met de gsm.

Tussen droom en werkelijkheid …

… ligt voor ons de Hollandse omgangscultuur. Niet de Nederlandse, de Hollandse.

We gaan al meer dan 30 jaar met plezier naar de Waddeneilanden. Eerst Texel (in 1982), dan Ameland (moet ergens omtrent 1990 geweest zijn) en toen voor ruim 20 jaar Terschelling.

Op Schilge beleefden we – samen met onze hondjes – hemelse tijden, zelfs als de zwinnetjes waren dichtgevroren of we onze voeten tot voorbij onze enkels in het zand moesten begraven om overeind te blijven tijdens een storm.

Het werd liefde. En we wilden daar op termijn zelfs een huwelijk van maken door er na onze pensionering te gaan wonen. Maar net één van de aantrekkelijkheden van Terschelling stak daar een stokje voor. Men is daar héél errùg zuinig met het verkavelen van de grond en huizen zijn er een heel kostbaar goed. Toen we informatie inwonnen over het kopen van een huis kregen we dan ook als eerlijk antwoord dat we als niet-eilander, en bovendien niet-Nederlander, een flinke bonus bovenop de koopprijs zouden moeten betalen om ons op het eiland te kunnen vestigen. Niet het antwoord waar we op gehoopt hadden, maar tenminste eerlijk en recht-voor-de-raap. Zo zijn de Friezen nu eenmaal.

De laatste jaren gingen we weer wat vaker naar Texel en begonnen ons daar steeds meer thuis te voelen. Om eerlijk te zijn: het eiland biedt je als senior (lett’s face it: onze jonge jaren liggen achter ons) meer mogelijkheden. En dus begonnen we de immobiliënmarkt daar in de gaten te houden. Eerst maar eens navragen of er ook op Texel extra toeslagen zijn voor ons als buitenlandse koper. Nee hoor. De prijs die je op de site ziet staan is de prijs die je betaalt. Geen beperkingen, gelijke kansen voor iedereen.

Er kwam nog wel een pak huiswerk aan te pas om alle formaliteiten bij zo’n expat-beweging in kaart te brengen, maar begin dit jaar waren we wel zo ver dat we effectief aan het huisjes-kijken konden beginnen. We legden contacten met makelaars, maakten afspraken voor bezichtigingen en stelden – voor alle zekerheid – toch nog eens die vraag over toeslagen en of eilanders de voorkeur krijgen als ze ook op hetzelfde huis bieden. En elke keer weer een geruststellend antwoord. De droom kwam dichter en dichter.

Eén van de huizen – pas 2 dagen op de markt – had onze naam op elke muur staan. De eigenaar, die ons zelf een rondleiding gaf, was ons ook genegen en beloofde onmiddellijk (tijdens het weekend nog) een mail naar het immokantoor te sturen om te melden dat we een bod wilden doen. Zelf spraken we een berichtje van gelijke strekking in op het antwoordapparaat. Toen we op maandag naar de makelaar belden, was hij “even in bespreking, maar hij belt u zo snel mogelijk terug”. Het werd een wel heel lange bespreking, maar toen hij terugbelde “was het huis net een halfuur eerder verkocht”.

We hadden nog wel een paar huizen in de reserve, dus een kleine maand geleden boekten we een lang weekend in een B&B, speciaal in de context van de huizenjacht, en maakten een afspraak met de makelaar en met een notaris om nog enkele vragen te laten beantwoorden. Ook aan haar vroegen we of er restricties zijn voor buitenlanders. Neeneenee. Alles OK, helemaal welkom!

Het viel ons intussen op dat bepaalde bekenden op het eiland telkens zó druk in de weer waren dat ze ons – geheel buiten hun gewoonte – niet eens konden groeten. Zelfs als ze bijna met hun gezicht tegen onze opgestoken hand aan reden, kregen ze ons maar niet in de gaten. Of ze kwamen ons net wél begroeten, om vervolgens besmuikt te vragen of we nog steeds op huizenjacht waren. We antwoordden bevestigend, maar hielden het verder nogal wazig, want we hadden ergens toch wel het gevoel gekregen dat er achter onze rug gemanoeuvreerd werd.

Het huis viel heel erg in de smaak, we brachten een bod uit en zijn sindsdien nog steeds in afwachting van een antwoord. Toen ik na een goede week eens belde om te informeren hoe het er voor stond, heette het dat de eigenaar een paar dagen het land uit was en we twee dagen later zeker nieuws zouden krijgen. Ik vermoed dat de eigenaar intussen als vermist is opgegeven, want we hebben nog steeds niks gehoord.

Of toch wel: we worden bedolven onder aanbiedingen van recreatiewoningen (daar mag je dus niet permanent wonen en bij de meerderheid heb je zelfs de verplichting om een minimaal aantal weken per jaar te verhuren!) en tweede-woningen. Niet het marktsegment dat ons interesseert. We willen permanent verkassen. Bovendien zit je dan gegarandeerd in zo’n vakantiepark, met om de paar dagen nieuwe buren en met het artificieel opgeklopte vakantiesfeertje (“we hebben er voor betaald en nu zal het leuk zijn, graag of niet”).

Intussen heb ik uit onverdachte bron vernomen dat je als niet-eilander bijna niet aan een permanente woning geraakt, zelfs niet als je er full time werkt. Je kan in volle krisistijd makkelijker aan de wal een nieuwe job vinden dan een huis op het eiland. We weten nu genoeg.

Deze liefde is niet bekoeld, maar diepgevroren. Ik heb maar van één ding spijt: dat we daar nog een vakantie geboekt en betaald hebben ook. Ik word er helemaal heidens van als ze me willen bedonderen.

Verhuizen zullen we. Ons huis – en vooral de tuin – zijn te groot geworden voor ons. We zoeken iets op onze maat. Maar niet meer tussen Hollanders. Zeeuwen misschien. En voor de vakanties keren we terug naar de Friezen en onze eerste grote liefde: Terschelling. Daar weet je tenminste wat je aan de mensen hebt. Nah!

Dodelijk hormoon …

De bladknoppen barsten. Groot en klein hoefblad, speenkruid, paardebloem, zelfs al een vroege pluk fluitekruid kleuren onze bermen. We worden vanaf een uur of vijf ’s morgens vergast op vogelzang en af en toe stuiven de pluimen in het rond bij grensconflicten. De hazen hebben hun hevigste gevechten al bijna achter de rug.

Begin deze week kon de waakhond van enkele straten verderop niet naar de straatkant stormen, want hij was “verankerd” aan zijn lief (die haar gezichtsuitdrukking was goud waard toen hij het toch probeerde) en gisteren kon een stier het zich niet aantrekken dat er publiek langs de wei passeerde: hij had andere prioriteiten dan over de omheining in het niets te staan turen. De pony, die ons bij elke passage komt begroeten -hopend dat ik even zijn rug wil krabben- loopt wat ongemakkelijker dit seizoen, vanwege “enige overlast” in de achterste/onderste regionen.

Een paar weken geleden waren de wegen in onze buurt een waar slagveld van paddenlijfjes, daarna volgden de kikkers. Deze week heb ik geslalomd tussen platgereden merels, fazanten, waterhoentjes, wilde eenden, mussen, … En let’s face it: het waren zonder uitzondering mannetjes. Allemaal verblind door de voorjaarskoorts. Blind voor aanstormend verkeer. En dus uitgeteld, vermorzeld, gekraakt en platgereden.

Testosteron, een dodelijk hormoon.

Jeppe groet ’s morgens de dingen …

Vanmorgen deed de lente helemaal wat van haar verwacht werd: schitteren. Met nog ijskoude voetjes, maar sprankelend in het eerste zonlicht. Na een week vol ongeloof, verbijstering en afschuw, eindelijk weer een hoopvolle aanblik.
Ik wilde dit vastleggen. Ook een beetje om er naar te kunnen terugkijken als het weer even moeilijk wordt, als er weer angst en wanhoop zou komen.

Jeppe volgde me naar buiten en genoot ook van die vroege zon, de dauw en het getsjilp van de mussen. Leven in het nù.  Zolang het kan …


De mussen zelf doen wat ze altijd doen: in en op de haag het leven vieren. Manlief noemt dit “de balkonscène”:

 

 

Het vlakke land …

Zo plat als een pannenkoek, zo ziet mijn gewichtscurve er nu uit. Geen voor- of achteruitgang. Nul, nada, niks beweegt er op die weegschaal.

Een platteau noemen ze dat. Zoals dat vlakke land dat het mijne is. Ooit volgde ik een WW-cursus en de coach daar gaf toen de raad om zo’n platteau te doorbreken door elke dag minstens 1 keer vis te eten. Was het toeval of werkt het echt? Bij mij hielp het in elk geval. Mogelijk omdat het tussen mijn oren zat, maar mogelijk ook omdat de vetste vissoort nog altijd magerder schijnt te zijn dan het magerste vlees. En je krijgt evengoed je proteïnen binnen.

Een andere aanvalstaktiek komt ook weer binnen handbereik: ’s ochtends vóór het ontbijt en ’s avonds nà het avondeten gaan wandelen met de hond. Een tip van de fitness coach. En vrij logisch ook nog. Want ’s morgens moét je wel aan je “voorraadje” zitten omdat je nog niet gegeten hebt en ’s avonds verbruik je al meteen een mooie hoeveelheid opgenomen energie, vóór ze zich ergens knusjes tussen de ribben kan nestelen. Leve de langere dagen! Want als je geen voetpaden hebt en je buurt wordt door stressy sluipverkeer onveilig gemaakt, ga je niet graag in het donker wandelen met een hond die dan overal van schrikt. Vóór je het weet lig je ergens in een sloot.

De moed houden we er in door af en toe eens op ontdekkingstocht te gaan in de eigen kleerkast. Gaat er geen gewicht af, mijn lijf begint zich toch strakker te tonen en dat opent perspectieven in de afdeling “ik kan er niet meer in maar het is zonde om het weg te doen”. Daar is de keuze momenteel verrassend groot. En ik hoef niet in een zweterig pashok waar een opdringerig wicht om de haverklap komt vragen “of het lukt?”, alsof je niet eens in staat bent om je alleen aan te kleden. 🙂

Bovendien zijn we sinds eind vorige week weer in de tuin aan de slag gegaan. Niet fanatiek, uren aan een stuk tot we er gekraakt uit kruipen. Anders zijn we het na een halve week kotsbeu en groeien binnenkort de brandnetels tot in de keuken. Kunnen ze zelf in de soeppot springen …

Langzaamaan, dan breekt het lijntje niet. En dan gaat dat platteau ook wel zachtjes afhellen …

Nee, met mate en gezond verstand: elke dag een uurtje en dan genieten van wat er al in orde is, dat houden we wel de hele zomer vol. Dan blijft het leuk en komen we met één tube van die reklamezalf wel toe voor dit seizoen. Bovendien blijft er dan tijd over om weer eens alles vast te leggen op foto en film. Want elk jaar is een tuin toch weer anders. Het blijft een werk in progress, zelfs na 40 jaar.

Zo moet er binnenkort (lees: waarschijnlijk volgende week) een uitgeleefde perelaar weg. We hebben hem zolang krediet gegeven dat hij ons nu wel eens zou kunnen terugbetalen met een tak op ons hoofd. Er komt geen boom, maar een struik in de plaats. Iets wat insecten aantrekt, want hij komt uiteindelijk wel in de insectentuin.

Er moet ook dringend wat snoeiwerk opgeknapt worden. Dat kan maar beter zo snel mogelijk, nu het nog frisjes is en de sapstromen nog niet te sterk stromen. En nu ik er nog zin in heb, want dat is het klusje waar ik het meeste tegenop zie. Vraag me niet waarom, maar het is zo.

Het gazon heeft zijn eerste “marine cut” gehad. De narcissen groot en klein staan in bloei, de dwergtulpjes krijgen er ook zin in en ik merk nu waar ik nog bollen kwijt kan. Foto’s maken, zodat ik tegen het najaar nog weet waar de gaten zitten.

De bloembakken komen ook weer naar buiten en vragen om kleurige vulling. Ik denk dat ik dit jaar voor viooltjes ga, in felle vrolijke kleuren.

Uit de (zéér) oude doos …

Via deze link en een paar dagen eerder ook al dankzij dit blog kwam ik bij deze uitdaging terecht. Nu ben ik niet zo van de stokjes en uitdagingen, maar zo af en toe is er eentje bij waar je gewoon niet aan kan weerstaan. Gewoon al omdat het je bijna onmogelijk toeschijnt om de queeste tot een goed einde te brengen.

Voor mij betekent dat dus een retro-beweging naar the early fifty’s en de tijd van de “radio pickup’s” à la

pickup

Het radio-gedeelte werd ten onzent vooral gebruikt voor “het nuus”. Als het tijd was voor muziek dan waren dat meestal – of bijna uitsluitend – Amerikaanse crooners, musicals etc. Mijn ouders waren daar helemaal wild van (voor zover die muziek dat toelaat) en die platen (waaronder nog een hele hoop 78-toeren, singelkes en epeekes) werden letterlijk grijs gedraaid. Ik kan nu nog de meeste van die liedjes meezingen. If you can’t beat them, … 

Zelf had ik vooral hart voor wat meer jazzy nummers en godzijdank zaten er zo toch ook een paar bij. En ik word nu nog altijd vrolijk van dit nummer.