En Jeppe, die haalde zijn diploma …!

Toen we hier kwamen wonen ging ik vrij snel op zoek naar een hondenschool, zodat Jeppe wat vriendjes en ik wat buren konden leren kennen. De puppy- en beginnerscursus verliep helemaal anders (én veel meer naar mijn zin) dan die wij vroeger in Bazel volgden. Maar Jeppe was even vaak “niet bij de les” wegens totaal niet geïnteresseerd in belonen met speeltjes, snoepjes, applaus of wat dan ook. De coach ging vaak bijna door de knieën van het lachen als hij heel ostentatief met zijn rug naar parcours én vrouwtje ging zitten. De koeien in de wei waren véél interessanter! Toch haalde hij op één of andere manier zijn getuigschrift en omdat hij toch beter begon te reageren op andere honden, schreef ik ons in voor de cursus Hoopers.

Hoopers is een beetje een soft versie van agility, waarbij ook een hindernissenparcours gevolgd wordt, maar zonder springen of werken op hoogte. Jeppe heeft een paar probleemwervels en al dat geweld is niet voor hem weggelegd. Bij Hoopers komt het er op aan je hond te sturen van op afstand. De baas staat dus in een vierkant en de hond wordt van daaruit gecoached om de hindernissen op een bepaalde manier te nemen.

Nu is Jeppe niet direct je doorsnee hond en de eerste, gereedste vlieg die passeert heeft hij gezien. Concentratie is niet zijn specialiteit. Hij is ook niet zo gemakkelijk te motiveren. Je kan belonen met een snoepje (al dan niet voorafgegaan door een “klik”) of je kan een speeltje gooien. Maar aangezien Jeppe nogal kieskeurig is qua snoejes en een weggegooid speeltje als afval beschouwd wordt, sta je dan voor aap. We modderden maar wat aan, tot ik de regels overboord gooide en agility-gewijs met hem meeliep buiten mijn zone en maar commando’s en aansporingen gilde. Opeens was het ventje één en al aandacht en enthousiasme. Vermits we nooit de ambitie gehad hebben om wedstrijden te lopen, vond de coach dat een goede manier en dus liep ik  drie cursussen evenveel kilometers als Jeppe.  Met wisselend succes, maar met evenveel enthousiasme van coach en medecursisten, zodat het er soms erg luidruchtig aan toe ging. Tot groot jolijt van Jeppe.

 

Vandaag was de laatste les en natuurlijk moet er dan weer een onverwachte moeilijkheid in zitten. In plaats van een omloop kregen we – voor de allereerste keer! – een lijnopstelling, en nog geen simpele ook. Bedoeling is dat de begeleider aan één kant van de lijn blijft, maar de hond voortdurend die as laat kruisen om hindernissen te nemen. Met een hond die alleen maar wil werken als je vlak naast hem loopt dus geen evidentie. Maar net tijdens dit examen gebeurde het onvoorstelbare: als je de beide filmpjes bekijkt (en vooral aan de blauwe ton), merk je dat ik de eerste keer nog erg dicht bij de hindernis moest gaan staan om hem de pas af te snijden. In het laatste filmpje moet ik maar één voet meer over de lijn zetten en loopt meneerke gezwind naar de eindmeet.

 

Geslaagd! Vanaf nu mogen we bij de recreanten gaan oefenen. Nieuwe groep, nieuwe vriendjes, nieuwe uitdagingen.

Bravo, Jeppe!

Advertenties

Nieuwjaarke zoete …

… ne mens die heeft 2 voeten.
Twee voeten, maar geen verstand.
Hij steekt alles maar in brand.

Het kon weer tellen twee nachten geleden! In onze onmiddellijke omgeving (en dan bedoel ik een straal van max. 10 huizen rond ons) waren ze elkaar weer de loef en kilo’s vuurwerk aan het afsteken. Ik ben er zeker van dat je van het geld van zo één “plezierke” een schone reis kunt maken. Nu is dàt nog míjn zaak niet, waar anderen hun geld aan spenderen. Maar de volgende ochtend lag ook ónze tuin, oprit en onze zonnepanelen vol afval. De dakgoten moeten we nog controleren, want anders raken de aflopen nog verstopt. Bovendien hebben we het hele circus patrouille gelopen om te checken of er geen gensters iets aan het smeulen gezet hadden in het tuinhuis of op het platte dak van de garage. Eén van die genieën was vuurwerk aan het afsteken terwijl zijn pagadders van max. 5-6 jaar er vlakbij rondliepen. Verantwoord ouderschap! En als je weet dat en andere van die leukerds zélf bij de brandweer werkt …

De balans is hier en daar nogal zwaar uitgevallen: twee doden, een aantal ziekenhuisgevallen, branden. In Scheveningen hadden ze er zelfs nog iets beter op gevonden: als je maar een gore bek opzet, mag alles.

Dat de gevolgen voor de onruststokers zwaar zijn, daar kan ik eerlijk gezegd niet wakker van liggen. Dat de gemeenschap daar mee aan afbetaalt, is al minder naar mijn goesting. Dat anderen schade hebben door die onzin, is er vér óver.

En dan zijn er nog de gevolgen voor het milieu. Deuren en ramen waren bij ons hermetisch afgesloten want de carbiedwolken waren zo dik dat je nog amper een hand voor ogen kon zien. Dít las ik vanmorgen in de krant:  zelfs de weerradars raakten in de war.

Ik gun in principe ieder dierke zijn plezierke, maar er zijn grenzen. Grenzen die bepaald worden door veiligheid en rekening houden met anderen. En wie zich daar niet aan kan houden, moeten ze het speelgoedje maar afpakken. Of helemaal verbieden én handhaven. En niet zoals nu: “enkel op 31 december vanaf 18u tot 1 januari om 2u” en dan loop je al tussen het geknal van dagen tevoren. Eén jaar streng aanpakken (eerst laten kopen en dan alles in beslag nemen: dat pakt in hun ballen, he) en je hebt er de volgende jaren geen kind meer aan.

 

Open Vogelringdag …

Maar dan moet je wel op tijd je bed uit en op de afspraak zijn bij de vogelringpost. Dat vroeg opstaan is bij mij al geen punt, want de dagen dat ik pas nà 6u uit bed ben zijn verwaarloosbaar. De haan die mij te grazen neemt, leer ik eieren leggen.

“Open Vogelringdag”, ’t is weer eens wat anders dan “Open Monumentendag” of “Open Bedrijvendag”.

Ik vind de rendez-vousplaats vlotjes en weet uit een mailtje van gisteravond hoe ik het terrein op kan en dat ik mag doorlopen tot bij de plek waar het allemaal te doen is.
Jos, Koos en Wilbert wachten mij op. Er is al een eerste keer “geoogst” en een stel wriemelende zakjes hangt intrigerend aan de haakjes van de hangardeur te wachten. Voor de ingewijden verraadt de kleur van de stof al  iets over de inhoud maar leek zijnde, kom ik niet verder dan “vogel”. Vooral over dat éne rode zakje wordt heimelijk gedaan. Daarin zit volgens de experts “een specialleke”.

Omdat collega Alex een uurtje later nog met een paar bezoekers komt,  wordt er niet te snel gewerkt, want anders hebben die niks meer te zien. Maar er kan ook niet onbeperkt getalmd worden, want dat is voor de bewoners van de zakjes niet zo goed. Er moet vooral voor gezorgd worden dat de gevangen vogels niet in de volle zon hangen.

Na een uur worden de netten nog eens gecontroleerd en wij mogen mee. Er valt niks te halen. Jos legt uit dat dit een beetje een overgangsperiode is. De nachttrekkers zijn bijna allemaal weg en als de vogel gevlogen is, kan je hem niet meer vangen. De dagtrekkers zijn nog even aan het opvetten om zo rond begin oktober hun biezen te pakken.

De witte zakjes moeten er het eerst aan geloven vanwege de stressgevoeligheid van de inhoud. Daarin worden de kleine karrekieten bewaard. Ik krijg meteen uitleg over de techniek van het ringen, het meten, wegen,  identificeren, de fijne kneepjes om sterk gelijkende soorten van elkaar te onderscheiden, … Intussen werkt stagiair Wilbert de procedure van zijn eerste gast af.

kleine karrekiet

Zakje nummer 2 (ook een wit, dus daar verwachten de ringers ook een kleine karrekiet in) zorgt voor een extra “specialleke”: een snor, verraden door zijn vleeskleurige pootjes. Ook de vorm van de staart – een mooi bruin waaiertje – is één van zijn handelsmerken.

snor
Twee zakjes, twee soorten. En er hangen nog 3 verschillende soorten zakjes, waaronder dat mysterieuze rode ding.

De hand van de stagiair-ringer gaat naar een volgend groepje: de rietzangers. En intussen krijg ik voortdurend leuke inside-weetjes over hoe je bijvoorbeeld bij bepaalde soorten kan weten of het een “1ste KJ” is. Dat is beroepsjargon voor 1ste kalenderjaar. Ringers willen nog wel eens van een vogel verlangen dat hij het achterste van zijn tong laat zien. Want jonge (1stejaars, dus) verraden zich dan met een tongmerk (2 zwarte puntjes achteraan op de tong). Geen onbetwist kenmerk voor sommige soorten, maar vaak genoeg een indicatie. Als het beestje openheid van zaken wil geven, natuurlijk.
Een ander mogelijk kenmerk van een 1steKJ: de lichte zoom aan de vleugel.

lichte zoom aan vleugel

lichte zoom aan vleugel (bis)

Nog een andere ringersterm is de “notch“. Omdat het zich moeilijk laat uitleggen en er toch een tekeningetje voorhanden is, maak ik daar een foto van. Kwestie van mijn geheugen een steuntje te geven. Die “notch” kan bijvoorbeeld vertellen of het ringetje om de poot van een grote karrekiet, dan wel van een bosrietzanger zit. Het zit ‘m in de kleinste details. Vandaar dat je als vogelwatcher vaak blij bent dat je er nog wat geluid bij krijgt. Maar dat is iets waar ringers niet op kunnen rekenen, want een vogel in een zakje heeft maar zelden zin om een recital te geven.

notch (1)

notch (2)

De blauwe zakjes zijn aan de beurt. In een gebied waar blauwborsten zich graag ophouden, is het nogal wiedes dat die stofjes voor hen gereserveerd zijn. De eerste die weer het daglicht ziet, is een mannetje. Dat wordt duidelijk als zijn oranjebruine ring over de borst zichtbaar is.

blauwborst

blauwborst bis

En dan is het eindelijk tijd voor de apotheose: de geheimzinnige rode zak. Veel gespartel, een grote ringershand die in eerste instantie de identiteit van het beestje verhult. En dan (tromgeroffel): een cetti’s zanger. Net als de voorgaande vogels behept met een naaldfijn snaveltje. Een bruin kopje, een grauwig lijfje, … Voor een niet-kenner ziet hij er – eerlijk gezegd – net hetzelfde uit als de rest (de blauwborsten niet te na gesproken). Maar in de handen van ringers (en onder hun deskundige toelichtingen) leren we toch weer wat bij. Ik was een paar jaar geleden al eens door zo’n onzichtbaar beestje beetgenomen in de Bazelse polder, maar nu kan ik die plaaggeest eindelijk in de kraaloogjes kijken.

cetti's zanger

Alex neemt ons nog even mee naar een konijnenhol, om ons te vertellen over een onvermoede bewoner van deze plaats. Omdat er aan de ingang geen begroeiïng is en het zand voldoende aanéén houdt om er ook piepkleine gaatjes in te maken, is dit een uitstekende plaats voor de schorzijdebij. Temeer daar ze hier haar waardplant bij de hand heeft (en die komt nu net volop in bloei): de zeeaster of zulte. Het is een bij met een geelros jakje en een duidelijk zwart/wit gestreept achterlijf. Net als we denken dat we nog te vroeg zijn, komt er toch eentje naar buiten.

En dan zit het er op voor vandaag. Een tweede oogst zit er niet in. De zon maakt de netten te goed zichtbaar voor de vogels, die er mooi overheen vliegen. Op het moment dat we er bij stonden, leek het even of er zwaluwen in de netten konden komen. Ze slapen in het riet en hun wekkertjes waren net afgegaan. Maar er laat zich geen enkele verschalken.

Met een hoop interessante weetjes in de rugzak en na een uitgebreid afscheid met veel bedankjes, krijg ik van Alex een lift tot bij het hek. Daar krijg ik nog een lang verhoopt, maar niet verwacht extraatje: een groepje baardmannetjes speelt in de toppen van het riet. Deze “Open” dag kan niet meer stuk.

baardmannetjes

Wat een heerlijke manier om een zaterdagvoormiddag door te brengen.
Hartelijk dank aan mijn gastheren en zeker tot een volgende gelegenheid!

 

Test … o … steron, test … test …

Een hond in het gezin heeft het voor- en tegelijk het nadeel, dat de baasjes voldoende beweging krijgen in de vorm van de dagelijkse rondjes, graag of anders. Nu heb ik daar meestal geen problemen mee, maar een luie dag zit er dus niet in.
Na het avondeten trok ik dus mijn wandelschoenen aan, griste en passant mijn ID-kaart, gsm en voorraadje hondenpoepzakjes mee en – o geluk! – dacht er nog net op tijd aan om ook de hond mee te nemen. Die had zin om eens een andere dan de gewone avondtour te doen. Lees vooral: een langere. Langs de kerkhofdreef en het patattenveld (dit jaar toch, vorig jaar stond er maïs) en dan zien we wel weer of we links of rechts de Zoutelanddijk op draaien.

Het is me al vaker opgevallen – en in ons dorp is het niet anders – : tegenover een kerkhof vind je vaak een rust- en verzorgingstehuis. Hier is het een splinternieuw, geopend in mei en met grote kamerbrede en -hoge ramen, die uitgeven op een ruim balkon met uitzicht op … juist, ja. Er is nog net een discrete buffer, bestaande uit een dubbele rij oude huisjes waar oudjes zelfstandig kunnen wonen, maar toch dagelijks hulp en verzorging krijgen. Er zijn steeds minder huisjes bezet, want omdat ze nog amper beantwoorden aan de hedendaagse normen, mogen er geen nieuwe bewoners meer aangetrokken worden. Komt er een huisje leeg te staan, dan blijft dat zo tot de laatste gast vertrekt naar de overkant van de straat. Dan zullen ze worden afgebroken.

Nu woont er in één van die huisjes een meneer met zijn hondje, een klein wit westieke. We hebben elkaar vorige zomer nog een paar keer ontmoet tijdens het hondenuurtje, maar dit jaar zie ik hem niet meer. Waarschijnlijk willen de benen niet meer mee. Het hondje laat zichzelf nu uit, op elk uur dat het geschikt vindt. Waarschijnlijk staat de deur constant open, zodat het beestje in en uit kan lopen naar believen en behoefte. En naargelang er zich andere honden aandienen in de dreef. Hij – het is een kranig kereltje (de hond bedoel ik) – komt tussen de huisjes door naar de dreef gelopen als wij er passeren en fixeert Jeppe. Jeppe blijft dan staan en fixeert het westieke. Dan begint het stoefen en meten, overigens zonder boosaardigheid of agressief gedrag.

Vanavond was het niet anders. Ik had zelfs de indruk dat Jeppe met opzet rond een dot gras bleef draaien tot de ander hem in de smiezen had. Jeppe besloot de schermutseling te openen door zijn poot op te heffen tegen een betonnen paaltje. “Dit is míjn paal”, seinde hij met zijn pose. Komt dat kleine mormel aan de andere kant van dezelfde paal zijn poot opheffen. “Deze kant is toch van míj!” Waarop Jeppe: “Maar ik kan toch hoger plassen!”. Mormel was helemaal niet onder de indruk want “ja, maar ik kan tenminste richten. Bij jou is ’t er altijd een meter naast”. Enfin, minstens vier keer heen en weer, tot ik me er mee moeide. “Jeppe, kom jong. Als ik hier moet wachten tot het vat af is, kunnen we ineens aan de ochtendwandeling beginnen”. Jeppe staakte  het vuren (nou ja) en volgde. So did Westie. Op een respectvolle afstand van een meter of tien. En elke vlag van Jeppe werd met zorg overvlagd. Tot die dat in de gaten kreeg en bleef staan. Ik zàg hem twijfelen … “Jeppe, als ge ook maar overweegt om terug te gaan om er nog eens een poot hoog boven te houden, dan gaan we ineens naar huis, he gast”.

Waarna “gast” zich omdraaide en op hoge poten verder stapte richting Zoutelanddijk. Westie draaide zich ook om en liep – een heel eind korter bij de grond – weer naar huis.
Tot de volgende keer …

Gejaagd door de …

… hormonen. De reeën overal te lande worden er hoorndol van. Ze hebben de kolder in hun lijf, weten met zichzelf geen blijf (o wee, ik begin al karamellenverzen te schrijven).

’t Is maar dat je ’t weet. Als je bijvoorbeeld met de auto door een gebied met reeën rijdt. Of met de fiets. Kan ook zomaar. De rest van het jaar zijn ze zo schuw dat ze het daglicht zoveel mogelijk mijden. Maar in juli en augustus (pak er nog maar een beetje september bij voor de veiligheid) staan die beesten zo heet als het asfalt dezer dagen. Zo’n testosteronbok heeft dan niet eens in de gaten dat het klaarlichte dag is en dat hij de weg op schiet zonder kijken. Dat moet jij in zijn plaats doen. Want geloof me: je wil zo’n passagier niet op de motorkap meenemen! Net zo min als een hinde die er genoeg van heeft of liever nog een paar dagen wacht. Ook die blijft niet netjes aan de kant van de weg wachten tot de verkeersstroom eens ophoudt.

Gebieden waar open veld en bossen elkaar afwisselen zijn het terrein bij uitstek van reeën. De gevaarlijkste punten zijn dus wegranden met struikgewas, waar deze grazers hun dekking zoeken (eh, beetje dubbel uitgedrukt, me dunkt). Pas je rijstijl aan, hou de wegkant in de gaten en neem een passagier mee met een camera in de hand. Just in case …