Van muziek- en andere dozen …

Af en toe laat collega-blogger Thomas Jefferson Pancake ons even onder het deksel van zijn muziekdoos kijken en meeluisteren.

Voor één keer ga ik zijn voorbeeld volgen, maar dan wel rond een welbepaald thema. Ik las gisteren over de stand van zaken van het project Perkpolder. Het einde komt nu wel heel dichtbij. Tenzij er een wonder gebeurt, beginnen de voorbereidende werken deze zomer, giftige grond of niet. Vannacht heb ik er toch een paar uur van wakker gelegen. Ik moest denken aan de hebzucht van de mens, die nooit genoeg lijkt te hebben en daarbij niet snapt dat hij zichzelf opeet. En ik moest ook denken aan de “Fishermen Song” van Judy Collins. Het gaat over iemand die wél de kunst verstaat om tevreden te zijn met wat hij écht nodig heeft. Vandaar het up tempo, denk ik …

“Pull on the ropes, seine haul fisherman. He never catches more than he knows he can sell in a day. Pull in the nets, seine haul fisherman. Day’s for work and the night’s the time to go dancing.”

Eind deze week worden wandelaars langs de Schelde al officieel vogelvrij verklaard. Werden we voorheen al opgejaagd door fietsers, per 1 mei opent er een verhuur van e-fatbikes. Nu ben ik dat eens gaan opzoeken en een e-fatbike is zo’n elektrische fiets met halve autobanden erop. Als ik dat vergelijk met de foto’s die de verhuurder vanmorgen op FB zette, dan stinkt dat uren in de wind want wat hij toont zijn e-scooters. Maar dat zal hij zo niet in de vergunningsaanvraag gezet hebben, denk ik. Wat me toen aan muziek inviel gaat een stuk trager. In 1977 hadden ze het al door:

Pieter Pot …

Wie vertrouwd is met de binnenstad van Antwerpen, kent wellicht de Grote en Kleine Pieter Potstraat, beiden vernoemd naar de stichter van de priorij van Sint-Salvator. Noch met die “côté” van ’t Stad, noch met de Norbertinessen of hun eerste prior heb ik enig uitstaans. Net zo min als genoemde vrome figuren met “mijn” Pieter Pot, vermoed ik.

Al jaren erger ik me te pletter aan de berg verpakkingsafval die ons in winkels en warenhuizen wordt opgedrongen. En íets zegt mij, dat het in Nederland nog een stuk erger is dan bezuiden de landsgrens. Ik heb er eerder al boze blogjes aan gewijd (hier en daar), maar dat alleen verandert niets, natuurlijk.

Een tijdje geleden vond ik een verwijzing naar de verpakkingsvrije boodschappendienst van Pieter Pot. Ik vond het een interessant initiatief en schreef me gelijk in. Op een wachtlijst, godbetert. Het duurde nog een flink aantal maanden (7 om precies te zijn) vooraleer de initiatiefnemers voldoende verdeelpunten hadden opgericht om ook bij ons te leveren. Maar afgelopen week was het wachten dan toch voorbij. Meteen een proefbestelling gedaan en dan maar (on)geduldig afwachten wat dat gaat opleveren.

Afgelopen vrijdag werd die eerste bescheiden levering aan huis gebracht en dat ziet er allemaal leuk uit. Bovendien werden we beloond voor ons geduld met 2 geschenkverpakkingen: 1x chocoladekoekjes met grof zeezout (daar schiet al niks meer van over: lekker!) en 1x vers gebrande pindakaas. Ik heb al wel eens eerder pindakaas geproefd, maar om daar nu stapelgek op te zijn: no, not me. Maar toen ik eens proefde van deze pieter-pinda-pot was ik aangenaam verrast. Niet dat ik dat nu altijd in huis ga hebben in de toekomst, maar dat gaat toch op geraken, denk ik.

De tas waar alles in geleverd wordt is zo’n leuk hennepgeval met vakjes, waar je het leeggoed netjes in kan schikken om bij de volgende levering weer mee te geven. Statiegeld wordt verrekend bij de wisseling van de wacht. Die gaat ook niet lang op zich laten wachten. Eerst nog wat oude voorraad (en afval) wegwerken en dan eens grondig grasduinen in het aanbod. Terug naar de tijd van de glazen melkflessen die rinkelend in hun metalen mandjes terug naar “huis” gingen …

Uit de oude doos (3)

Het toeval wil dat vandaag blogcollega Myriam ook wat ditjes en datjes uit haar oude doos gehaald heeft. Ik had gisteren al dit stukje uitgezocht. En me nog eens in een deuk gelachen ook, toen ik me de scène weer levendig voor de geest haalde …

Thriller…

8 februari, 2006

Ik heb al jarenlang een voorkeur voor thrillers. Vooral boeken, maar een goede serie of een film mag ook wel. Er in meespelen doe ik niet zo graag. Vooral ‘s nachts niet. Ik heb mijn rust nodig, zie je.

Manlief leest wel af en toe eens een thriller. Naar kijken… weinig of niet. Maar de hoofdrol laat hij zich niet afpakken. Vooral ‘s nachts niet. Hij wakker, iedereen wakker.

Afgelopen nacht had ik dus prijs. Ineens vliegt Manlief recht in bed en zegt: “Er is iemand binnen. Ik heb de achterdeur horen opengaan” Nu was ik er heilig van overtuigd dat die op slot was, maar zeg nooit nooit, dus ik speel mijn rol naar godsvrucht en vermogen.

Met kordate stem zegt mijn betere helft: “Bel de polies!” en hij beent intussen richting living. Daar slapen de honden. “Waar zijn mijn honden hier?” Twee slaapdronken hondenkoppen gaan tergend langzaam omhoog en ze kijken alle twee hulpeloos naar mij: “Krijgt die dat dikwijls? Want dan gaan we eens navragen of er in ‘t asiel nog plaats is, zenne” Dit is voor mij al aanwijzing genoeg om te weten dat hij aan ‘t dromen geweest is. Maar hij houdt hardnekkig staande dat hij klaarwakker lag.

In processie gaat het richting berging. Eén van de honden als laatste… de andere bewaakt de zetels. Achterdeur: op slot (what else?). Zolder: verlaten. Afwas: nog niet gedaan (maar als ze daar al iets aan doen, dan is het gewoonlijk aanvullen en niet wegwerken, tenzij er een zilveren bestek zou zijn).

Ik heb intussen krampen in mijn gezicht (van mij serieus te proberen houden) en in mijn tenen (vergeten pantoffels aan te doen, tedju toch). Richting voordeur. Manlief in pyama en blootsvoets rond het huis, ik met een zaklantaarn en een bijna natte broek van ‘t lachen in het deurgat, de honden in de zetel met hun voorpoten over hun ogen om ze voor het licht af te schermen. En de inbrekers? In bed, hun schoonheidsslaapke aan ‘t doen…

Zou het nog op tijd zijn om dit scenario in te sturen voor de Oscars? Of moeten we wachten tot volgend jaar? Ik doe in elk geval mee voor de beste vrouwelijke bijrol (ik heb NIET hardop gelachen!). Mijn (v)echtgenoot had wat last van overacting, dus ik denk niet dat die in aanmerking komt voor de beste mannelijke hoofdrol.

Voor hoofdpijn wél, als hij dat nog eens durft doen…

Uit in tijden van corona (2)

Ik nam jullie al een keertje eerder mee uit in ons concertverleden. Daarbij liet ik de naam van Rum vallen, één van de groepen die de Vlaamse volksmuziek nieuw leven inblies in de jaren ’60 – ’70. Toen de groep uiteen viel en ieder zijns weegs ging, pakte één van hen een andere passie weer op.

Zijn naam was Dirk Van Esbroeck. Hij ging samen met Juan Masondo en de groep Tango al Sur de zalen langs met authentieke Argentijnse muziek, maar ook met prachtige muzikale bewerkingen van gedichten. We hadden het geluk om verschillende optredens van hem bij te wonen. Sober, zonder veel gepraat tussendoor, maar met heel veel gevoel bracht hij heerlijke muziek.

Van de Nederlandse dichter Jan Slauerhoff zong hij in de tijd van Rum al Angustia (op het album Gelukkig ma non troppo). Uit zijn album met teksten van Richard Minne is dit mijn absolute favoriet: Van op de hoge brug .

Ik heb me nooit kunnen voorstellen dat je iemand die je niet persoonlijk kent, zó kan missen. Maar bij elk nieuw theaterseizoen doet het even pijn te beseffen dat we deze meneer niet meer life zullen meemaken.

Adieu, Reiziger …

Uit in tijden van corona …

We zouden afgelopen theaterseizoen voor de eerste keer in Zeeuws-Vlaanderen naar theater gaan. We hadden kaarten gereserveerd voor 3 voorstellingen: Herman van Veen, Freek de Jonge en Frank Boeyen. Uiteraard kwam er niets van in huis. Laatstgenoemde deed nog een gewaardeerde poging om ter compensatie een online optreden te geven voor diegenen die kaartjes voor die avond hadden gekocht, met de vermelding dat die kaartjes geldig bleven als het live optreden eindelijk ooit kon doorgaan. De link werd doorgestuurd aan diegenen die dat graag wilden.

Vorige week deed een blogcollega voor de tweede keer zijn muziekdoos open en dat bracht herinneringen boven aan optredens die wél doorgingen en waar wij bij waren. Sindsdien is de muziekdoos ten onzent (lees: de cd-speler) nieuw leven ingeblazen. En terwijl ik probeer het wasgoed niet te voorzien van brandvlekken, geniet ik van zowel de muziek als de herinneringen.

In onze beginjaren gingen we vooral naar de Arenbergschouwburg. Gewoon omdat de affiches daar ons het meest aanspraken. Herman van Veen (ook toén al), Rum, Wannes van de Velde (met een flamencogroep, het was ijskoud in de zaal, dus aan de pauze stelde Wannes voor om het optreden verder te zetten in een bruine kroeg wat verderop; onvergetelijke avond!). Maar ook toneelvoorstellingen waar ik nu nog kippenvel van krijg: Jan Decleir met zijn Dario Fo-vertolkingen, Julien Schoenaerts als Wereldverbeteraar, …

Een aantal jaren later werd in Beveren het Cc Ter Vesten geopend en de toenmalige samensteller van het seizoenprogramma was iemand met veel gevoel voor de toekomst. Van de performers die we daar leerden kennen zijn er behoorlijk wat, die pas jaren later het grote publiek bereikten. Wij hebben ze in avant-première gehad. Jammer genoeg is die vooruitziende blik de man professioneel fataal geworden. Zijn opvolger koos voor de platte commerce en toen haakten wij af. Een half seizoen Plat Antwaarps Theater was niet zo direct ons favoriete tijd- en geldverdrijf.

Eén van de eerste ontdekkingen die we daar deden, was nauw verbonden met een geplande vakantie. We zouden in de zomer naar Corsica gaan en naast het plannen van uitstappen en het verslinden van culinaire weetjes, hadden we ons ook verdiept in de lokale muziekcultuur. Zo ook de programmator van Ter Vesten, want hij had – voor het eerst, maar niet voor het laatst – I Muvrini op de affiche. In kleine bezetting, waarbij de polyfonie extra tot haar echt komt. Later hebben we hen nog in volle bezetting bezig gezien in de AB en in Tilburg. Zij toonden de weg naar andere groepen als A Filetta, Tavagna en Barbara Fortuna.
Eén van de nummers waarmee ze o.m. regelmatig bij wijlen Lutgart Symons te horen waren was A te Corsica .

De komende weken zal ik zo af en toe nog een paar andere artiesten voorstellen die we daar hebben leren kennen. Er zit nogal wat folk bij, maar ook experimentele muziek. Benieuwd of ze ook de belangstelling van mijn lezers kunnen vangen …

Uit de oude doos (2) …

Enkele dagen geleden nam ik me voor om uit mijn oude blogtekstjes nog eens een paar “golden oldies” op te diepen. En wat vond ik daar tussen? Een paar broodrecepten die ik kwijt was.

Van kastanjebrood, focaccia en vooral: sandwichbrood (of eikesbrood zoals onze kleindochters het noemden). Als ze kwamen logeren, kon ik niet vóór blijven met dat brood bakken. Nu, zeker een jaar of 7 – 8 later, willen ze nog eens komen logeren, zo gauw Miss Corona (en Mark Rutte) dat toestaan. En wat bestelden ze alvast, zodat ik voldoende ingrediënten kan inslaan? Juist! “Eikesbrood”! Met fricandon.

Waar een blog al niet goed voor is, he?

Uit de oude doos

Naar aanleiding van het blogje van gisteren én omdat ik op de diverse hardware-aanhangsels van mijn pc eens wat orde aan het scheppen ben, kreeg ik het idee om hier zo af en toe eens iets uit de oude doos neer te zetten. Teksten van verdwenen blogstekken, maar die vandaag nog altijd relevant zijn, of die ik gewoon via deze weg wil bewaren omdat ze ook tot die herinneringen behoren die hier een plaatsje mogen krijgen.

Om nog even terug te komen op het afscheid van Terschelling, deze tekst uit 2006:

Waddenlicht, waddendonker…

27 maart, 2006

Waddenlicht, waddendonker

Er is daglicht, kunstlicht, kaarslicht, zonlicht, maanlicht en er is … waddenlicht. Natuurlijk geeft het wad zélf geen licht. Maar soms doet het zo’n kunstzinnige dingen met wat de zon erover uitstrooit, dat het wel zo lijkt.

Er zitten wel wat schilders op het eiland. En er komen er vaak met vakantie. Aquarelisten, olieverfkunstenaars, pentekenaars en wat er allemaal nog bestaat aan technieken om de natuurlijke en andere schoonheden van dit leven vast te leggen. Maar tot dusver is er bij mijn weten nog nooit iemand in geslaagd om het waddenlicht te vatten.

Alle fotografen falen in hun pogingen om het feeërieke schouwspel mee naar huis te nemen. Altijd is het beeld te scherp, te flou, te licht, te donker, te helder, te mistig, …
Ook in woorden kan je het waddenlicht niet gevangen zetten. Je kan het proberen omschrijven. “Zilverachtig, koud, fragiel, …” Het klopt allemaal wel een beetje, maar al voeg je er nog duizend woorden aan toe, de som is steeds ontoereikend. Dus ook deze poging is tot mislukken gedoemd…

Hoewel, er is toch één manier om het mee naar huis te nemen en ervan na te genieten: als je het waddenlicht éénmaal gezien hebt, kan je het nooit meer vergeten. Je draagt het mee als een kostbaar kleinood in je herinnering, waar je ook gaat, hoelang je ook wegblijft.
Maar als er waddenlicht is, is er ook waddendonker. En ook daar bijt iedereen zijn tanden op stuk. Het is het donkerste donker dat ik ooit gezien heb. Zelfs in een godvergeten gat in Spanje of in de outback van de Franse Cévennes -waar de lichtpolutie nog niet is uitgevonden- heb ik nooit zo’n donker donker gezien. Het lijkt wel een afbeelding van het heelal vóór de oerknal, vóór het scheppingsverhaal, voordat er iets was.

Zou een zwart gat in de ruimte er zo uitzien?