Maandagochtend …

… en nog lang geen “hoogseizoen” in het toerisme. De maandag na een zonnige, maar pittig koude zondag. Niet het soort zondag voor een picknick, dus.

We gaan met z’n drietjes – Manlief, hond Jeppe en ik – onze ochtendwandeling maken. Bij zo’n gelegenheid is het voor mij makkelijker om me te wapenen met mijn afvalgrijptang, zakhouder en afvalzak. Dan hoef ik de hond niet in de gaten te houden en kan ik de bermen afspeuren naar “buit”.

Halfweg de wandeling heb ik al krampen in mijn handen: rechts van de grijptang te bedienen, links van de steeds zwaarder wordende afvalzak. En krampen in mijn kaken van het knarsetanden om zoveel slechte wil. Van blikjes en snoepwikkels tot (uiteraard gebruikte) condooms, tampons, inlegkruisjes en mondkapjes. Allemaal “stofferen” ze het publieke domein.

Een paar die hards is toch komen picknicken in het zicht van het haventje. Ze hadden “iets” uit een doosje van dié Mburger drive in, de éne had een beker frisdrank, de ander een paar zelf meegebrachte biertjes van een Duits merk. Ze hebben achteraf nog flink gesnoept, te oordelen aan de wikkels. En ze hadden er ook aan gedacht een afvalzak mee te brengen. Om op te zitten, zodat het vocht uit de grond niet in hun kleren kon kruipen. Die lege afvalzak heb ik ook opgeraapt, samen met al hun rommel. En dan een paar honderd meter verder in de van op hun picknickplaats zichtbare kliko gegooid.

Intussen had ik in mijn 60l-zak al zoveel rommel verzameld, dat ik het laatste stuk overmorgen moet aanpakken. Elke keer ik er iets wilde insteken, vloog iets anders weg wegens te vol. Ik kon nog net de zak keurig dichtstrikken. De eerste van een nieuwe rol die ik vorige week meebracht uit de supermarkt. Iets zegt mij dat die niet lang gaat meegaan …

De “oogst” van een halve “tournée générale” na een rustig weekendje. Hopelijk mag ik van de mensen van de gemeente deze zomer de – meerdere – zakken weer aan de kant van de weg zetten als ze te zwaar worden. Zij pikken die dan op als ze de kliko’s gaan leegmaken. Zou daar wel iets in zitten?

“De dood of de gladiolen” …

Een mens heeft, vooral in de winter en nog meer in de huidige tijden, iets nodig om naar uit te kijken. Omdat het nog maar de vraag is wanneer we ooit aan onze coronaprik gaan geraken en omdat we besloten hebben minstens te wachten tot het moment dat we daar zicht op krijgen, hebben we al wél ons oog laten vallen op een vakantiehuisje voor het najaar, maar reserveren doen we nog niet. En dus ligt de hele focus dezer dagen op de tuin.

Afgelopen maandag kwamen de tuinmannen voor het zwaardere werk: de eerste schoonmaak na de winter, snoeien, en ook: wat uitleg geven die ik nodig had om nog wat aanvullingen te bedenken zonder de boel te verpesten. We hebben afgesproken dat we het vanaf nu weer zelf overnemen, maar als er dingen zijn die ons boven het hoofd (en vooral boven de rug) gaan, dan hoeven we maar te bellen om af te spreken wanneer ze ons komen helpen. Met een uurtje of drie waren ze er mee klaar en was ook het snoeisel ineens weg. We hebben de hele namiddag zitten genieten van het frisse uitzicht.

Dinsdag gingen we zelf aan de slag: de vijver moest een beurt krijgen (de visjes zijn flink gegroeid!), de pompen hebben in de diepte hun werk gedaan. De bijendrinkschaal is schoongemaakt en gevuld. Ik maakte een inventaris van kale plekken, zodat ik aanvullingen kan bedenken. En in de voortuin werd ook schoongemaakt. Een 5-tal primula’s, die ik in een lampetkom op het tafeltje in de veranda had staan, werden in een plantenbakje gezet en kregen een plaatsje aan de voordeur.

Woensdag moesten de planten in de veranda er aan geloven: waar nodig wat dood blad weghalen of wat potgrond toevoegen, eens goed gieten en meststof geven, de potten weer wat ruimer schikken en het fonteintje vullen.

Donderdag kwam dan de kroon op het werk van de week: de kussens van de zetels werden uitgepakt, nadat er eerst eens goed gepoetst was in ons “buitensalon”. Ik heb wel nieuwe fleece doeken besteld, want die ik had vielen in meer dan één opzicht tegen. Ze waren niet echt easy in onderhoud en ze hadden pompoms aan de randen. Dat lijkt een gezeefde mug, maar als je de bocht van de bank wil volgen, komen die bolletjes óp de kussens te liggen en wie daar op moet zitten heeft een moeilijk leven …

En toen was het klaar! De mini-narcisjes staan in bloei, de primula’s van vorig jaar ook, net als de peperboompjes. Overal zie je knoppen zwellen en soms zelfs al openbarsten. De mussen zijn al volop met nestmateriaal aan het zeulen en je ziet de gekste baltstaferelen in en onder de bomen en struiken.

Nu nog extra kleur voorzien voor de zomer. We waren bij de aanleg zó gefocust op het aantrekken van insecten, dat ik helemaal niet aan snijbloemen gedacht had. Gisteren moest ik voor mijn moeder in de Boerenbond in haar buurt zijn en daar stond een gróóóte mand vol zomerbollen. Tja, jààààààh ..!

Sinds vorig jaar heb ik mijn aversie tegen dahlia’s opzij gezet. Ik herinner mij uit mijn prille kindertijd dat wij op die halve zakdoek grond achter het huis ook dahlia’s staan hadden. En vooral: dat oorwurmen daar zo graag in kruipen. En dat mijn vader mij wijsmaakte dat die “orennijpers” in je oor kruipen en daar flink in bijten. Vandaar mijn slechte relatie tot die schitterende bloemen. Intussen denk ik bij “oorwurmen” meestal aan van die rotdeuntjes die je niet meer uit je hoofd krijgt. De dahlia’s hebben het gewonnen van de stomme verhaaltjes. Dus die heb ik zeker meegenomen.

Papavers vind ik ook zo mooi. Ze hebben iets héél fragiel, maar lijken toch ook stoer zoals ze daar rood staan te zijn. En om helemaal in de sfeer van de streek te blijven, ga ik mijn eigen opiumindustrie beginnen. (De afgelopen 365 dagen zijn er in Zeeuws-Vlaanderen 365 drugslabo’s, hennepkwekerijen etc. gevonden. ’t Is hier goeie grond … )

Manlief was al altijd een fan van gladiolen. Om mij onbekende redenen associeerde ik die altijd met kerkhoven. Eigenlijk zouden dat dan chrysanten moeten zijn, maar gladiolen waren voor mij altijd “kerkhofbloemen”. Bovendien stond het traditionele kleurassortiment mij niet echt aan. Het laatste jaar in Kruibeke had ik me toch laten vermurwen en een toen nieuwe soort geplant (vanillegeel met een sumier vleugje roze erin, geen idee hoe ze heetten). Eigenlijk viel dat nog mee.
Gisteren vond ik een zak bollen met een mengsel van heel donkerrode (paarse?) bloemen in combinatie met limoengele. Ik zag ze al wel in een vaas op een bepaald plekje en dat was voor mij het laatste duwtje in de rug.

De dood of de gladiolen? Het zijn de gladiolen geworden …

Vreemde vogels …

… en hoge nood.

Wij hebben uiteraard feeders in de tuin en in perioden zoals de afgelopen week wordt er nog gestrooid ook, voor de grondeters: zaden, stukken appel en meelwormen. Geen overbodige luxe, want de nood is hoog in pluimenland.

We hebben dan ook dagelijks een hele horde gasten aan de dis. Vertrouwde soorten, die het hele jaar door aanschuiven, maar ook trekkers die we enkel in de winter zien. Maar in de afgelopen week kregen we ook een paar extra bezoekers, die raar of zelden de tuinen frequenteren. Daarvoor moet het echt armoe troef zijn.

Zo zat er gisteren opeens een witte kwikstaart tussen de vinken op de grond. Supernerveus en lang hield hij het niet vol, maar toch net lang genoeg om zijn buikje eens rond te eten. In de loop van de week hadden we een kauw in de tuin. Die had het op de appels voorzien. En vanmorgen kwam er zelfs een kokmeeuw mee-eten.

Dat betekent dat het echt tijd wordt dat de dooi intreedt, want dat het miserie met watersaus is. Het zou me niets verwonderen dat in de volgende uren nog eens een sperwer zijn kans waagt. Er is er hier een in de buurt gespot in de afgelopen dagen …

Taak volbracht …

Het winterse maandelijkse “werk” is weer volbracht: we telden 4115 brandganzen, 123 grauwe ganzen, 40 Grote Canadese ganzen, 351 kolganzen, 530 toendarietganzen, 10 Nijlganzen en 21 knobbelzwanen, verspreid over 5 van de 7 telgebieden die ons toegewezen zijn. Hulst hebben we niet geteld wegens te druk en Paal is voor ganzen zelden een echte telpost.

Ook gezien, maar niet in onze opdracht voor Sovon (die staan al wel op waarnemingen.nl) : 3 watersnippen (maar ik sluit niet uit dat het er in werkelijkheid maar 2 zijn, want 2 waarnemingen waren nogal dicht bij elkaar in hetzelfde gebied), een koppeltje middelste zaagbekken (boterbuiken) en 9 patrijzen, naast verschillende “wolken” klein grut, waarvan niet altijd zo eenvoudig te zeggen is wat het is.

Het was een goed gevulde teldag!

Waterzande ..?

Wie morgen, 3 januari, de Vestingcross in Hulst volgt op tv, zal ongetwijfeld te pas en te onpas dit reklamespandoek op zijn/haar scherm krijgen. Het introduceert de commerciële benaming voor het project Perkpolder, dat een definitief einde zal maken aan een stuk open ruimte waar heel veel mensen tot hier toe plezier aan beleefden.

Al mijn hele leven lang weet ik niet beter dan dat Nederlanders zich verkneukelen over de “domme Belgen”. Het bedenken van “domme Belgen”-moppen is voor onze noorderburen zo’n beetje een nationale sport.
Toegegeven: als je nog maar even kijkt hoe de Belgen met hun open ruimte omspringen, kan je niet anders dan concluderen dat ze écht wel oliedom zijn.

Maar als ik nu zie hoe blindelings de Nederlanders dat achterna beginnen doen, dan vraag ik mij af wie hier eigenlijk de allergrootste stommeriken zijn. Hoe verschrompeld kunnen je hersenen zijn, dat je de stommiteiten die je bij je buren zo belachelijk vond, kritiekloos na-aapt?

Akkoord, er is meer betaalbare huisvesting voor starters nodig in de directe omgeving. Perkpolder valt onder Walsoorden, deelgemeente Hulst. Walsoorden is een kleine kern. Te klein om er enige nering van betekenis te vestigen. Een klein beetje gezond verstand zou dus die nieuwe woningen laten aansluiten bij deze bestaande woonkern, zodat het de moeite wordt voor een bakker, slager of buurtwinkel om er de deuren te openen. Dan hoefden de bewoners niet voor elk ei of klontje suiker naar Kloosterzande te komen of helemaal naar Hulst te rijden.

Maar nee, die nieuwe woningen komen bovenop een opspuiting (waarvan de destijds gebruikte ondergrond nog steeds onderwerp van onderzoek en betwisting uitmaakt i.v.m. gevaar voor de gezondheid!) waar iedereen nog eens kan genieten van vrij uitzicht over de Schelde. En daar gaan ze dan winkels vestigen, die maar een half seizoen de moeite van het openen zijn.

Akkoord, er is nood aan tewerkstelling om jonge mensen in de streek te houden, om te vermijden dat het hier een bewoond Bokrijk wordt. Met die smoes worden niet alleen huizen voor vaste bewoning gebouwd, maar ook vakantiewoningen en -godbetert – een hotel. Uiteraard zodanig gerangschikt dat er van een uitzicht niet veel meer overschiet, want dat wordt dus gemonopoliseerd door het geld. Datgene, wat de aantrekkingskracht is van de streek, wordt dus door de betonmolen gedraaid. We hebben het elders zien gebeuren en we hebben de gevolgen er van gezien.

Tewerkstelling? Voor jobstudentjes, tijdens die paar maanden per jaar dat er iemand in die vakantiewoningen gaat zitten. En éénmaal covid-19 uit het geheugen, zal dat nog minimaal zijn. Zelfs tijdens corona kunnen ze niet “in hun kot” of toch in eigen land blijven. De rest van het jaar staan die vakantiewoningen leeg en verkrotten, want dan is het niet langer winstgevend om ze te onderhouden. Idem voor het hotel.

Als ook dat vakantiedorp zou aansluiten aan de genoemde woonkern, kon de kruidenier in de zomermaanden emmertjes en schopjes verkopen, de bakker kon ijsjes aan de man/vrouw/kinderen kwijt en de zoon van de slager kon zichzelf nuttig maken met hamburgers op de bbq te keren of door fietsen te verhuren aan de toeristen die die 200 meter naar het strand niet te voet willen doen.

Overigens: als je de lokale handel en nering een plezier wil doen, waarom ga je dan in zee met een Belgische projectontwikkelaar? Die gaat zijn beton niet kopen in Walsoorden, want daar heeft hij geen percentjes.

En dan heb ik het nog niet gehad over de polder die aan de andere kant gaat opgespoten worden om er een golfterrein van te maken. Een golfterrein, begot! Een dorp verder wàs er een golfclub. In de jaren dat we hier komen en intussen ook wonen, heb ik er nooit méér dan 3 man en een lelijke paardenkop gezien. De club is naar het schijnt intussen ook dood en begraven. Met golflinks in Stekene, Wachtebeke en nog ergens rond Gent en net voorbij Terneuzen, heb ik zo mijn vragen bij de leefbaarheid van dit doodgeboren idee.

Kortom: eigenlijk staat er een dikke schrijffout van jewelste op dat spandoek. “Waterzande” moet eigenlijk “Waterschande” zijn …

Een volk dat zijn oevers vol bouwt, verloochent zijn afkomst.
uit “Carnet pour Sarah”, J.-F. Bernardini.

Een vakantie als geen andere …

… of geen vakantie als een andere?

Het verschil zit ‘m in de plaats van dat éne lettertje. Niets bijzonders, zo te zien, maar een wereld van verschil in aanvoelen.

Nochtans was de bestemming al jaren zo’n beetje onze tweede thuis: Terschelling. De reservering was eind januari al afgerond, om zeker te zijn dat we nog die éne vrijstaande periode in de herfst konden te pakken krijgen. Corona was nog ver van ons bed, dus “why nut?“.

Maar in maart moesten we vervroegd van Texel vertrekken, Tiengemeten verhuisde van mei naar september, wat ook al geen meerwaarde gaf vanwege miljoenen knutten. En hoe dichterbij de datum van vertrek kwam, hoe onzekerder de situatie werd. Waardoor de gebruikelijke voorpret verdween als sneeuw voor de zon.

Eerst moesten we doorheen mijn besmetting en Manlief’s quarantaine geraken. Dan begon het rondbellen: naar de huisbaas en de lokaal bevoegde GGD en naar de eigen huisarts voor raad. Naar de annulatieverzekering, voor het geval Marc Rutte & co de zaak in extremis op slot gooiden. Die trokken het zich enkel aan als één van ons besmet was. Dus even naar de huisartsassistente gebeld om mijn besmetting te laten bevestigen op papier (was inmiddels al wel uitgequarantained, maar je kan hervallen, toch?).

Koffers pakken, maar nog niet naar beneden brengen, want wie weet staan ze daar wel voor niets in de weg. Boodschappen voor 2 weken voor mijn moeder. Niet dat dàt verloren is, want eten moet ze toch. Géén boodschappen voor ons, nog altijd in de veronderstelling dat we mogen, kunnen en willen vertrekken.

We gaan.

De nacht vóór het vertrek wakker liggen. Is het dat allemaal wel waard? En is het verantwoord? Maar ook: we zijn daar minstens zo veilig als thuis. We verblijven aan het eind van de eilander beschaving. We koken zelf en on occasion halen we iets uit of laten het bezorgen. We mijden (altijd al, ook zonder corona) drukke plaatsen, samenscholingen, … Wandelen doen we op plaatsen en tijdstippen dat de andere toeristen nog niet eens aan hun ontbijt toe zijn. Vogels kijken doe je toch al niet in groep (al zie je soms nog wel eens een bende van zo’n 100 twitchers staan gapen naar 1 enkele mus met een rood veertje in haar kont, maar niet op Terschelling). En er zit een voorraad mondkapjes, nitryl handschoenen en ontsmettingsgel in de auto waar je een heel OK mee te lijf kan.

We hebben de avondboot van 18u. Dat betekent dat we ten laatste om 17u30 op het havenplein moeten zijn. We lunchen dus nog thuis en omdat je net zo goed rustig kan rijden als nog een paar uur naar elkaar te zitten kijken en ongeduldig te zuchten, vertrekken we. Rustig, dus. Maar niet helemaal onbezorgd. Eten kan niet zoals anders op de boot of in de haven, wegens de sluiting van de horeca. Ik heb – geleerd van Tiengemeten – een paar opwarmmaaltijden mee, want we zijn ten vroegste ergens rond 20u30 in ons huisje.

Pas op dag 2 pak ik de laatste bagage uit. Gewoon. Omdat ik er niet eerder zin in heb. Boodschappen worden nog beter gepland dan anders, want het is drukker dan anders. Herfstvakanties. In eigen land voor de Nederlanders. We beseffen ook dat – net als op Texel – de rust die we hier vonden nooit meer echt zal weerkeren, want de Nederlanders ontdekken eindelijk hun eigen land.

Schiermonnikoog valt als laatste non-coronabastion.

Eerste werk na het boodschappen doen: een pot verse soep maken voor na de wandeling. Het gebeurt nu meer uit gewoonte dan uit een gekoesterde traditie. En ze smaakt anders.
Na de middag toch nog even de wandelschoenen aantrekken en met het fototoestel op paddenstoelenjacht. Er zijn er al, maar nog niet zoveel als vorig jaar. Nog een regenbui wachten, denk ik.

Manlief en ik lossen elkaar af bij het wandelen, zo hebben we elk om beurt een luie dag. Er zijn al wel kleine trekkertjes: tjakkers, koperwieken, goudhaantjes, hier en daar ook een paar kepen. Er zit een grote groep goudplevieren in de polder en ook al een paar honderd rotjes. Maar de echt grote aantallen zijn er nog niet. Het heeft te lang ge(na)zomerd. Hoogtepunt van vogelweek 1: een havik die een blauwe kiekendief opjaagt, die op zijn beurt een buizerd uit dekking peutert. En dat alles binnen pakweg 300m.

Zaterdagavond en normaal zouden we nu uit eten gaan. Gelukkig is er ook mogelijkheid om afhaalmaaltijden te bestellen. We bekijken online het aanbod van het lokale taparestaurant en ik bel de bestelling door voor tegen 18u. Net nà El Classico (om in de sfeer te blijven) en op tijd terug voor ManU vs. Chelsea. Die tweede match is vooral slaapverwekkend. En dat met de XXL Nacht van de Nacht voor de boeg.

Zondagochtend, winteruur en we zijn over halfweg. Ochtendwandeling in het bos, want de wind is flink aangewakkerd. Dat hoeft voor ons geen beletsel te zijn, maar voor hondjes is het niet leuk omdat het stuifzand zich net op hun ooghoogte verplaatst.

Het hoge woord komt er uit: ik vertel dat ik de vakantiestemming maar niet te pakken krijgt en prompt bevestigt Manlief dat dat bij hem hetzelfde is. De enige die hier op een roze wolk zit, is de hond. We luchten allebei ons hart en gaan dan over tot de orde van de dag. Opeens is de lucht minder zwaar. Uit die éne week gaan we nog het maximum halen. Tegen 5-6 Bft in.

Nog twee dagen te gaan en de huisbazin komt even een praatje maken. Kort door de bocht komt het er op neer dat ze heel slecht nieuws gekregen heeft bij de arts: uitgezaaide kanker in de longen. Of ze nog in aanmerking komt voor behandeling zal ze horen terwijl wij die laatste dagen doorbrengen en inpakken om te vertrekken. Het nieuws hakt er wel even flink in. We beloven plechtig alles even netjes achter te laten als we het gevonden hebben. Het was al een dag met vallen en opstaan (letterlijk voor Manlief) en – zonder dat het uitgesproken werd – begrepen we dat dit adresje wegvalt.

Tijdens de volgende nacht hebben we allebei onze eigen gedachten over Terschelling. Bijna 30 jaar zijn we hier te gast geweest. Terschelling is vooral het eiland geweest waar we urenlange wandelingen langs de waterlijn maakten om dingen te verwerken die we door het jaar niet verstouwd kregen. Soms zwijgend naast elkaar, soms dingen uitsprekend die elders niet konden benoemd worden. Soms ieder voor zich, pratend, fluisterend, schreeuwend tegen de golven. De Noordzee als therapeut, het wad als zielenzalf.
We zijn die moeilijke tijden ontgroeid, de wandelingen zijn aanzienlijk korter geworden. Dàt waarvoor we naar hier kwamen, is voorbij. Tijd om af te sluiten.

Het is een bevrijding dat we allebei hetzelfde voelen en dat het ook hardop uitgesproken is. De laatste volledige dag wordt ingezet met een boswandeling. Langs de paden die we kunnen dromen. Langs de bankjes waar we van het zonnetje genoten, onze vermoeide voeten even lieten rusten, meegebrachte boterhammetjes opaten, … Dan het bos uit en langs de duinrand verder. De zon breekt door, een dubbele regenboog wuift ons uit.

In de namiddag ga ik in mijn eentje met Jeppe naar het strand. Een laatste keer voorbij Heartbreak Hotel, dan rechtsaf richting Amelander Gat. Morgen is het Manlief’s beurt om afscheid te nemen terwijl ik het huisje aan kant doe. ’s Avonds nog één keer tapa’s van de Reis. En overmorgen om 6u op voor de vroege boot…

Trofeeën opzetten …

Aan de hand van de foto’s van vorig blogje wil ik nu een paar trucjes meegeven die van een “gewone” of zelfs een “gemiste” foto iets bijzonders kunnen maken. Ik geef ze in dezelfde volgorde als hiervóór, met een korte beschrijving van wat ik met het origineel gedaan heb en welk effect ik daarmee wilde bereiken.

Ik héb Photoshop, maar als ik het niet nodig had om maandelijks de header van onze nieuwsbrief aan te passen, had ik het abonnement al opgezegd, want ik gebruik het zelden. Photos van Windows volstaat meestal voor wat ik met mijn foto’s wil doen. En dat beperkt zich in 99% van de gevallen tot uitsnijden, ontnevelen en kleur/lichtbalans corrigeren. Als er een windmolen in beeld staat, die ik niet weggeknipt krijg, dan staat die daar toch? Het is een onderdeel van de context.

Als je twijfelt over de uitsnijding, dan kan je uit stevig papier of karton (liefst zwart, omdat het beeld dan echt naar voor springt) een venster uitknippen dat je voor je scherm houdt en verplaatst. Je kan middels een tweede vel ook nog met de lengte/breedte verhouding spelen. Een keer dat je het gevoel te pakken hebt, heb je dat niet meer nodig.

Kies altijd eerst de uitsnijding en ga dan naar de licht/kleurbalans.

Eerst en vooral heb ik de uitsnede gekozen. Een klein beestje in zoveel omgeving valt amper op. De lucht stoort heel erg en vlakt de kleuren uit.
Maar de valk moet wel een context krijgen. Het paaltje én de prikkeldraad geven “body” aan het beeld. Valken zitten wel vaker op paaltjes, dus geef je hier meteen ook die informatie mee. Verder werd het licht wat getemperd en de nevel gecorrigeerd (in de meeste -zelfs eenvoudige – bewerkingsprogramma’s zit die optie)
Een drukke achtergrond, of een overdaad daaraan, maken het beeld onrustig. Als je de tijd hebt om handmatig scherp te stellen, kan je die rommel onscherp maken. Als het allemaal snel moet gaan en je automatisch scherp stelt, moet je gaan knippen. Hou daarbij in de gaten of je onderwerp niet zodanig vergroot wordt dat het onscherp wordt.
Hier staat het bokje in het midden van het beeld, maar zijn vriend(innet)je staat er nog bij, links. Centraal plaatsen moet je altijd even uittesten, want het geeft niet altijd een mooi beeld. Denk er de gulden snede overheen. Maar soms kan het juist een heel sterk effect hebben, bijvoorbeeld als je een lange dreef met hoge bomen wil fotograferen.
De zilverreiger komt goed in beeld, zijn gespreide vleugels benadrukken zijn figuur en zweefvlucht. Maar door het teveel aan decor gaat dat effect verloren.
Om hier extra nadruk op te leggen heb ik een langgerekte uitsnijding gekozen, die bovendien bijna egaal van kleur is. Zo wordt de blik niet afgeleid van de vogel. Wil je wijdsheid benadrukken, kan je breed en laag gaan, voor het majestueuze van voornoemde bomenrij kan je net hoog en heel smal gaan.
Tenzij je een verkeersslachtoffer of een detail in beeld wil brengen, hebben dieren doorgaans een kop, een lijf en een kont. Let er dus op dat het hele dier op de foto staat. De “blinde vinken” (in dit geval ganzen) rechts worden dus weggeknipt.
Probeer toch voldoende marge te houden vóór de snavel van de eerste gans. Desnoods haal je ook wat lucht achteraan weg, zodat de ganzen IN het beeld komen vliegen. Als ze te dicht bij de rechterkant staan, vliegen ze uit beeld en geeft dat de indruk dat je net te laat was. De overdaad aan scherpe lucht kan ook beter geknipt worden. Het is vermoeiend voor de ogen en haalt de kracht uit de foto.
Er zijn uiteraard grenzen aan wat je met een foto kan doen. Als de visarend te ver weg gaat zitten, zit hij te ver weg. Een prijswinner in een fotowedstrijd zit er dan niet meer in. Maar wie zegt dat die foto niet tóch een mooie waarde heeft voor de fotograaf? Je ziet tenslotte niet elke dag een visarend. En het is nog altijd een nuttig beeld om bij twijfel naast een vogelgids te leggen of aan een vogelkenner te tonen.
Zoals gezegd: geen prijswinner. Maar voldoende om de soort te herkennen. Nóg verder uitvergroten kon niet meer vanwege scherpteverlies. Dit is echt alles wat er in zat. Net als bij alle andere foto’s is ook hier – na het uitvergroten – de kleur/lichtbalans wat gecorrigeerd en de nevel verwijderd.

Tot zover een handvol weetjes over NATUURfotografie. Wie zich verder wil verdiepen in natuurFOTOGRAFIE heeft misschien iets aan https://www.natuurfotografie.nl/

Kijk eens naar het vogeltje …

In hun reactie op mijn vorige blogje opperden een paar collega-bloggers dat ze wel een paar tips konden gebruiken voor het maken van natuurfoto’s. Nu ben ik zelf allang niet meer van de technische uitleg. Ooit, in de tijd dat de paarden nog konden spreken en ik nog een manueel te bedienen fototoestel met filmrolletjes gebruikte, had ik de meeste vuistregels over verhouding belichting/diafragma/filmgevoeligheid etc. wel zo ongeveer gebeiteld in het hoofd. Maar sinds de komst van de digitale fotografie, en vooral door de aanschaf van een wat gesofisticeerder toestel, vertrouw ik vooral op de “kunde” van het toestel en werk op de automatische stand.

De voornaamste reden daarvoor is, dat met name dieren niet blijven poseren tot je de handleiding van je toestel uit hebt. Planten blijven tenminste nog op hun plaats, maar een vogel of insect denkt al gauw “salut en de kost“. Als je dan al een kwartier bezig bent met handmatig instellen is dat om dood te vallen.
Daar komt nog bij dat er zo veel knopjes en klepjes en standjes aan dat toestel zitten, dat je inderhaast nog wel eens de hele boel weer ontregelt vlak vóór het afdrukken.
Dus mijn eerste vuistregel is: werk automatisch als de omstandigheden dat toelaten.

Natuurlijk is het wel superleuk als je ook al die speciale standjes (van je toestel, wel te verstaan) kan gebruiken, maar dat doe ik vooral bij opnamen die ik kan voorbereiden, zoals een zonsop-/ondergang of zo. Als je op tijd ter plaatse komt kan je alles installeren: statief, camera en de instellingen (die je vooraf thuis al wel hebt doorgenomen, maar neem toch die handleiding maar mee). En vergeet niet: tegenwoordig kom je met een mobieltje met iets of wat camera ook al een heel eind!

Voor natuurfotografie is gouden regel nummer 1 eigenlijk: ken je onderwerp! Ken de plaats of het biotoop waar je foto’s wil maken en weet wat je er kan verwachten en wanneer. En dat kan maar op één manier: ga er veel wandelen. Het zal al wel opgevallen zijn dat de relatief kleine omgeving van ons huis hier vaak een hoofdrol speelt, want daar wandel ik bijna dagelijks. ’s Morgens, ’s middags, ’s avonds. In alle seizoenen en bij elk weertype.

En dan is het zaak om je ogen de kost te geven. Neem niet altijd een camera mee, zorg vooral dat je ogen en oren wijd open zijn. Leer het gebied aanvoelen. Wat ik wél vaak doe: als ik een bepaalde lichtinval zie waar ik wel eens wat mee wil doen, dan maak ik een foto met mijn mobieltje en noteer seizoen, uur en weersomstandigheden. Zo weet je wanneer je de meeste kans maakt om dat nog eens te zien. En kijk niet alleen naar de lucht of in de verte. “Hét” gebeurt soms vlak vóór je voeten!

Kijk ook goed welke dieren er voorkomen, leer ze kennen, neem de tijd om hun gedrag te bestuderen en de manier waarop ze reageren op menselijke aanwezigheid. Vooral dat laatste is belangrijk. Ik heb ooit – in de beginjaren van Grasduinen (tegenwoordig Roots) een reeks artikels van Fred Hazelhoff gelezen. En wat hij meegaf als raad, pas ik nu nog toe. Het heeft niets met het fototoestel en alles met de fotograaf te maken:

leer je gebied kennen dan weet je welk tijdstip het meest geschikt is voor wat je wil vastleggen; wij wonen in een getijdengebied, dus moet ik daarmee rekening houden (wanneer is het hoog of laag water?).
leer zijn bewoners kennen dan is het makkelijker om te weten waar ze zich op een bepaald tijdstip ophouden; als binnenkort de brandganzen en masse het land in komen, is het zaak om in de gaten te houden welke maïsakker geoogst wordt, want daar zitten ze dan met honderden, zelfs duizenden. Dieren zijn afhankelijk van planten, soms zelfs van één bepaalde plant (vlinders en hun waardplanten, bijvoorbeeld). Zoek uit waar en wanneer die planten bloeien.
gedraag je steeds op dezelfde, rustige, manier zodat vaste bewoners weten dat ze van jou niets te duchten hebben; ze komen daarom nog niet op je schouder zitten, maar reken maar dat ze je herkennen.
volg steeds dezelfde route zodat ze weten hoe ze een veilige afstand kunnen bewaren (meestal ietsje méér dan 1,5 m 😉 ).
draag liever géén camoufflagekleding want daar worden ze zenuwachtig van; als ze je voortdurend kunnen zien kunnen ze hun strategie uitkienen; als je het éne moment zichtbaar bent en het volgende opeens wég, slaat de paniek toe. Wél handig is als je je eigen contouren, en vooral die van een statief met telescoop of fototoestel, laat opgaan in die van struiken of zelfs je geparkeerde auto.
wees voorspelbaar, zelfs als je niet van plan bent om een foto te maken, breng af en toe rustig de camera of verrekijker in de aanslag, zodat ze die handeling leren herkennen; houd daarbij rekening met het feit dat rechtstreeks op het dier richten vaak angst aanjaagt: je lens is een OOG!
gebruik geen deo of andere geurtjes als je de natuur in gaat; vooral zoogdieren zijn daar erg gevoelig voor, maar je trekt er ook ongewenste aandacht van chagrijnige insecten mee.
heb respect voor de natuur: ga niet languit bovenop de begroeiing liggen om die éne foto te maken. Pluk geen half grasland kaal omdat er een halm in beeld komt. Sommige foto’s willen niet gemaakt worden.

Dit is wel genoeg voor een eerste keer, denk ik. In een volgend blogje ga ik het hebben over de (foto)jacht zélf en in deel 3 gaat het dan over wat je met de buit moet doen.

Eén ding is zeker: iedereen kan mooie natuurfoto’s maken, ook zonder dure camera. Een natuurfoto is mooi als je er de liefde en het respect voor het onderwerp in voelt en als het model zich op zijn gemak voelt. Een verschrikte blik roept weerzin op.

1 september …

Bijna 3 weken geleden dat ik nog een blogje postte! En intussen heeft WordPress de nieuwe editor ingevoerd. Benieuwd of die echt zoveel beter is als zij willen doen geloven. Het heeft weinig zin om het te proberen ontlopen, denk ik. Al kan je (voorlopig) nog terug naar de vorige editor, één of andere dag is die opeens spoorloos en moet je toch door de zure appel heen. Als jullie hier een totaal onontwarbaar allegaartje aantreffen: schiet niet op de pianist maar op de pianobouwer…

Het was echter niet de angst voor een nieuwe werkwijze die me weg hield van mijn pc’tje. Na de hittegolf-quarantaine volgde een reeks van in te halen activiteiten en werkzaamheden. Bovendien is een naderende 1 september altijd goed voor opgeschaalde voorbereidingen. Niet alleen scholen schieten weer in gang, ook het verenigingsleven probeert weer op snelheid te komen, voor zover corona-maatregelen dat toelaten. Zo ook onze dorpsraad, waar we de handen ruimschoots vol hebben aan de oprichting van een jeugdsoos. Was 4 september de oorspronkelijke richtdatum, om voor de hand liggende redenen wordt het nu – bij leven en welzijn – 2 oktober.

Na het verplichte binnen zitten (lock down) kwam het verstandige binnen zitten (hittegolf cum ozon-overmaat), dus nu zijn we ook niet meer binnen te houden. De afgelopen dagen hebben we al behoorlijk wat uurtjes gespendeerd aan het begluren van de visarend die bij Luntershoek zijn vaste post gemaakt heeft. Is het dezelfde als de vorige jaren? Heel waarschijnlijk, maar niet noodzakelijk. Feit is, dat we al het 3de jaar op rij bij het begin van de herfst een visarend hebben op die locatie. Donderdag en vrijdag hebben we enkel gelezen over zijn aanwezigheid. Zaterdag merkten we hem voor het eerst zelf op. Typisch visarend: helemaal op het topje van een dorre boom. Tedju, te weinig geslepen glas bij!

Zondag nieuwe poging, mét extra lenzengeweld. Géén visarend. Toch niet op dàt moment. Even de waarnemingen checken en wat bleek? Meneer (of mevrouw) zat op een paar honderd meter van ons huis te vissen in het haventje van Walsoorden! Dan maar een rondje maken en straks nog eens terug komen en ja, toen was ie weer op post. Een andere post, verder van de weg af. En van onze camera …

Gisteren dus maar terug, mét de 300 mm, het statief en op hoop van zege. Deze keer klauterden we met onze hele kluts op de uitkijktoren. Als hij weer op zijn plekje van zondag ging zitten, konden we hem aaien … Maar zo gek krijg je die beesten niet, natuurlijk. Omdat we op weg naar onze uitkijkpost nogal dicht bij die van hem moesten komen, was de vogel gevlogen. Maar we hadden een grote zak geduld meegenomen en trokken de wacht op.

’t Is nu niet dat je dan helemaal niets te zien krijgt: bijna onder de poten van de toren door kwamen twee jonge reeën gewandeld. Altijd goed voor een reeks foto’s met groot OOOOhhhh-gehalte. We werden trouwens al gauw omsingeld door niet minder dan 11 grote zilverreigers. Ook niet te versmaden! Een jonge putter en een pimpelmees kwamen in een dichtbij staande struik zitten om ons in de gaten te houden, terwijl wij de meegebrachte vogelgids om en terug doorbladerden, om uit te maken of die roofvogel in die andere dode boom nu een havik of een sperwer was. Of misschien wel de wespendief, die de vorige dag in Terneuzen gezien was? We zijn er nog niet uit. De waarneming is – inclusief wazige foto – doorgestuurd. Laat de experten het maar uitzoeken.

Daar is ‘m! Daar is ‘m! Maar dat markeert ook het einde van de zomer …
Aan de linkse kont was niet goed te zien of het een hij of een zij was. Maar rechts zie ik tussen de oren toch al het reeachtige equivalent van een puberaal donsbaardje.
Vier vóór ons in het water, vijf achter onze rug op de wei en twee in de lucht. We konden niet ongezien wegkomen.
De maat klopt, de strepen op de staart ook, de kleur past zowel bij een volwassen sperwer als bij een jonge havik. Zoek het maar uit!
“Zullen we eens op die twee hun handen gaan zitten kijken? Zouden we ook in dat boekske staan, trouwens?”
Overvliegende grote Canadese ganzen. Niet noodzakelijk trekkers, want ze blijven hier steeds vaker als zomergans.

Kijk, dat was niet eens zo moeilijk, die nieuwe editor. Er valt nog veel uit te zoeken, maar dat is voor een andere keer.

T.a.v. de Vlinderstichting …

Beste,

momenteel zit onze tuin vol koolwitjes en atalanta’s. Soms met 10-15 per soort tegelijk. Superblij mee.

Maar gisteren en vandaag viel ons van de atalanta’s dit gedrag op:

Wat is daar de betekenis van? Is dat een vlinder die dringend op zoek is naar een maatje om te paren? Is dit een signaal naar overvliegende soortgenoten dat er nog veel voorraad te vinden is (een beetje zoals bijen doen)? Of zijn die beesten gewoon stomdronken van het nectar zuigen? Bij hommels heb ik ook al eens vergelijkbaar gedrag gezien. Al is me achteraf verteld dat dat eerder het omgekeerde was: hoge nood aan nectar.

Mvg,
Wordt (hopelijk) vervolgd …

 

Op é.o.a. manier kan ik geen afbeelding in een reactie plaatsen, dus in antwoord op de analyse van doctorandus T.J. Pannenkoek, hier een foto van de (vorige week geplaatste) drinkschaal voor bijen en vlinders:

bijendrinkschaal

De knikkers en keitjes zorgen ervoor dat hun pootjes niet te nat worden. De grote glazen “eieren” had ik nog liggen en ik vind dat ze er vrolijk bij kleuren.