De tuin einde mei

Eigenlijk speel ik een beetje vals, want de foto’s zijn op 1 juni gemaakt, en er is die dag nog één en ander veranderd, vooral rond de vijver. Die ligt namelijk helemaal centraal en onbeschut. Geen nood zolang er geen warme zon op zit, maar nu de zomer zich eindelijk aankondigt, lijkt het me voor de vissen niet zo leuk en gezond als het water teveel opwarmt.

Omdat de bestrating verder opbreken geen optie is (omwille van onderhoud, maar ook omdat er buizen van onbestemde herkomst onder steken), is een boom naast de vijver niet mogelijk. Tenzij … Tenzij je er een koopt die in een container kan. Die wordt dan niet zo groot, maar ze bestaan in verschillende maten en vormen, dus ook als parapluboompje. Combineer dat met nog een paar andere containers met bijvoorbeeld halfhoge grassoorten en hortensia’s, en je kan een (mobiele) boord maken al naargelang van waar de hoogste zonnestand is.

Het boompje maakt een mooi schaduwplekje op het water tijdens de middaguren. De grassen moeten volgend jaar zo’n meter hoog worden + de hoogte van de pot. Dan volstaat dat voor de voormiddag. De hortensia’s rechts hoef ik niet veel groter te laten worden om de avondzon af te schermen. Ze bloeien op 1e jaars hout, dus laten opschieten is geen goed idee.
Ik ben geen groot liefhebber van wisteria’s. Ze zijn sterk geparfumeerd. Ik ruik dat niet altijd even erg, maar in het aroma zitten wél componenten waar ik schele hoofdpijn van krijg. In het tuincentrum waren we zo erg gecharmeerd van de vorm, dat we niet gelet hebben op wat me meenamen. Een wisteria, dus. Nu hoop ik maar dat wat deze beperkte kruin aan bloemtrossen kan voortbrengen, de pret niet gaat bederven. Deze Wisteria brachybotrys ‘Showa Beni’ zou een laatbloeier zijn, dus met een beetje geluk zien we wel nog wat zachtroze deze zomer. Mogelijk moeten we mettertijd de kruinsteun groter maken, of de omvang van de kruin onder controle houden door snoei (het gaat ons niet in eerste instantie om de bloei, dus als die achter blijft: so be it).
De Miscanthus sinensis ‘Little zebra’ of prachtriet staat er een beetje verfomfaaid bij na het transport en het planten, maar dat komt wel goed. Het wordt tot 100 cm hoog, zodat het de voormiddagzon tempert, maar omdat het een open structuur heeft blokkeert het toch niet alle licht. Er is al 1 zaadpluim te zien. Ik denk wel dat het een mooi “rietkraagje” wordt.
De tuin is de afgelopen weken echt “ontploft” (ook datgene wat we er liever niet tussen hebben, dus dat wordt weer aanpakken). Ik had een aantal dahlia’s in de kuipen gezet: de prille bladeren zijn allemaal afgevreten door de slakken.
En dan ontdekte ik nog een andere “hobby” voor de komende tijd. De lavendel in de voortuin zit onder de rozemarijngoudhaantjes. Een keversoort die o.a. op rozemarijn, lavendel, thijm e.d. zijn eitjes afzet. De larfjes vreten met plezier het laatste blaadje van de plant op. Omdat ik sowieso al geen voorstander ben van verdelgingsmiddelen en al helemaal niet op planten waar ook tientallen heidelibelletjes komen slapen, doe ik dus een paar keer per dag een rondje “kevers plukken” met een potje sterk zeepsop in de hand.
Jeppe vindt het niet serieus dat we een boom in een pot zetten. Zó hoog kan hij niet mikken. Je zou als hond van minder depressief worden …

Op haar zondags …

Manlief roept me zachtjes naar de ramen aan de straatkant. Moeder Eend trippelt frazelend richting onze voordeur. Hond Jeppe ligt gelukkig te slapen, dus die kan de scène niet verstoren. Mrs. Duck komt onze voortuin in en gaat in het lavendelbed met haar kont staan schudden.

Met een lekker luchtje op waggelt ze – nog steeds voor zich uit “babbelend” – weer naar de vijver aan het eind van de straat. Ik ben nét te laat om een heterdaadfoto te maken…

Hopelijk heeft Mr. Duck tenminste een overdekt terrasje gevonden voor de date …

De tuin halfweg mei …

Het gaat nu opeens zó oerend hard buiten, dat ik halfweg de maand al even een fotorondje moet maken om “bij” te blijven. Anders zijn sommige dingen niet meer te zien aan het eind van mei.

Ook niet te zien op de foto’s: de 3 flitsbezoeken van de sperwer waar we wél getuige van waren. Het eerste was afgelopen maandag om 7:42. We zaten nog te genieten van een kop koffie, toen plots de hoogpotige rover rondhopte tussen de hoge haag, de feeder en het paaltje dat één van de sierappeltjes ondersteunt. Hij was net iets te opzichtig tewerk gegaan, want al het kleine grut was ontsnapt.
Dezelfde dag, om 15:49 pakte hij het een beetje zorgvuldiger aan. In één vloeiende beweging plukte hij een klein vogeltje weg. Wat het was, weten we niet. Daarvoor ging het te snel.
En net, om 13:35 om precies te zijn, hoorde ik een ijselijke gil en zag hem over de schutting verdwijnen met vermoedelijk een mus in de klauwen.

De afgelopen week hebben we – méér dan ons lief was – dreigende luchten gezien in de meest uitéénlopende vormen en formaties.
Onze dwergmagnolia doet het al een beetje beter dan vorig jaar. Toen had hij het – net als de overige nieuwe aanplant – bijzonder moeilijk. In tegenstelling tot zijn grote broers, komen de bloemen pas als er al blad aan de takken staat. De bloemknoppen lijken vóór ze open gaan een beetje op beukennootjes.
De eerste sieruien komen open. Ik heb gewoon een mengeling van vroege, late, hoge en lage soorten door elkaar gezet. De volgende die gaan bloeien zijn denkelijk witte.
Sneeuwballen. Niet om mee te gooien, maar om stilletjes van te genieten. Dat doet dit lieveheersbeestje ook. De takken zijn zo zwaar beladen met bloemen dat we ze moeten ondersteunen. Anders liggen de witte ballen in de modder bij de eerste regenbui die over komt.
Deze goudiep was op sterven na dood, vorig jaar. Ik had nooit durven hopen dat hij er weer door zou komen. Niet geschoten, altijd mis: ik heb hem op een gegeven moment zó rigoureus gesnoeid dat er bijna niets meer van overbleef. En het heeft geholpen!
Het nagelkruid vormt een bloedrode vlek tegen de donkergroene haag. Het staat intussen al een week of 2 in bloei en er staan nog veel knopjes in. Ik vermoed dat dit een andere variëteit is dan wat in de voortuin staat, want dat begint nu pas de eerste knopjes te laten zien.
Het rood van de nieuwe scheuten aan de glansmispel begint te temperen. Het vormt een mooie overgang van het knalrode nagelkruid naar het donkergroen van de struiken erachter. Binnenkort komen de kleine witte bloesems open.
Aan de rand van de vijver staat het lievevrouwenbedstro al weken te bloeien. Dat gaat nog maanden door. Bijen en vlinders die in de nabije waterschaal komen drinken, kunnen niet nalaten even op de geurige bloempjes te landen.
Ik vermeldde al eerder dat ik het niet kan laten één van de 3 rabarberplanten te laten doorschieten (elk jaar een andere). Als de bloemen eenmaal in het zaad staan, hangen er letterlijk tróssen mussen in te smullen. Van delen zullen we niet armer worden, toch?
De twee goudvoorns vallen rijkelijk op, vooral als ze om eten komen bedelen. Maar deze ouwe snoeper is meestal niet zo nadrukkelijk aanwezig. Vorig jaar was het enige teken van leven dat deze bittervoorn en zijn maatje gaven zeker 100 jonkies. Daarvan is zeker nog 30-40% over. De afgelopen 2 weken heeft hij een paar heftige territoriumgevechten geleverd met het “gouden paar”. Maar nu is de vrede schijnbaar teruggekeerd en komt hij ook eten schooien.

Maandagochtend …

… en nog lang geen “hoogseizoen” in het toerisme. De maandag na een zonnige, maar pittig koude zondag. Niet het soort zondag voor een picknick, dus.

We gaan met z’n drietjes – Manlief, hond Jeppe en ik – onze ochtendwandeling maken. Bij zo’n gelegenheid is het voor mij makkelijker om me te wapenen met mijn afvalgrijptang, zakhouder en afvalzak. Dan hoef ik de hond niet in de gaten te houden en kan ik de bermen afspeuren naar “buit”.

Halfweg de wandeling heb ik al krampen in mijn handen: rechts van de grijptang te bedienen, links van de steeds zwaarder wordende afvalzak. En krampen in mijn kaken van het knarsetanden om zoveel slechte wil. Van blikjes en snoepwikkels tot (uiteraard gebruikte) condooms, tampons, inlegkruisjes en mondkapjes. Allemaal “stofferen” ze het publieke domein.

Een paar die hards is toch komen picknicken in het zicht van het haventje. Ze hadden “iets” uit een doosje van dié Mburger drive in, de éne had een beker frisdrank, de ander een paar zelf meegebrachte biertjes van een Duits merk. Ze hebben achteraf nog flink gesnoept, te oordelen aan de wikkels. En ze hadden er ook aan gedacht een afvalzak mee te brengen. Om op te zitten, zodat het vocht uit de grond niet in hun kleren kon kruipen. Die lege afvalzak heb ik ook opgeraapt, samen met al hun rommel. En dan een paar honderd meter verder in de van op hun picknickplaats zichtbare kliko gegooid.

Intussen had ik in mijn 60l-zak al zoveel rommel verzameld, dat ik het laatste stuk overmorgen moet aanpakken. Elke keer ik er iets wilde insteken, vloog iets anders weg wegens te vol. Ik kon nog net de zak keurig dichtstrikken. De eerste van een nieuwe rol die ik vorige week meebracht uit de supermarkt. Iets zegt mij dat die niet lang gaat meegaan …

De “oogst” van een halve “tournée générale” na een rustig weekendje. Hopelijk mag ik van de mensen van de gemeente deze zomer de – meerdere – zakken weer aan de kant van de weg zetten als ze te zwaar worden. Zij pikken die dan op als ze de kliko’s gaan leegmaken. Zou daar wel iets in zitten?

“De dood of de gladiolen” …

Een mens heeft, vooral in de winter en nog meer in de huidige tijden, iets nodig om naar uit te kijken. Omdat het nog maar de vraag is wanneer we ooit aan onze coronaprik gaan geraken en omdat we besloten hebben minstens te wachten tot het moment dat we daar zicht op krijgen, hebben we al wél ons oog laten vallen op een vakantiehuisje voor het najaar, maar reserveren doen we nog niet. En dus ligt de hele focus dezer dagen op de tuin.

Afgelopen maandag kwamen de tuinmannen voor het zwaardere werk: de eerste schoonmaak na de winter, snoeien, en ook: wat uitleg geven die ik nodig had om nog wat aanvullingen te bedenken zonder de boel te verpesten. We hebben afgesproken dat we het vanaf nu weer zelf overnemen, maar als er dingen zijn die ons boven het hoofd (en vooral boven de rug) gaan, dan hoeven we maar te bellen om af te spreken wanneer ze ons komen helpen. Met een uurtje of drie waren ze er mee klaar en was ook het snoeisel ineens weg. We hebben de hele namiddag zitten genieten van het frisse uitzicht.

Dinsdag gingen we zelf aan de slag: de vijver moest een beurt krijgen (de visjes zijn flink gegroeid!), de pompen hebben in de diepte hun werk gedaan. De bijendrinkschaal is schoongemaakt en gevuld. Ik maakte een inventaris van kale plekken, zodat ik aanvullingen kan bedenken. En in de voortuin werd ook schoongemaakt. Een 5-tal primula’s, die ik in een lampetkom op het tafeltje in de veranda had staan, werden in een plantenbakje gezet en kregen een plaatsje aan de voordeur.

Woensdag moesten de planten in de veranda er aan geloven: waar nodig wat dood blad weghalen of wat potgrond toevoegen, eens goed gieten en meststof geven, de potten weer wat ruimer schikken en het fonteintje vullen.

Donderdag kwam dan de kroon op het werk van de week: de kussens van de zetels werden uitgepakt, nadat er eerst eens goed gepoetst was in ons “buitensalon”. Ik heb wel nieuwe fleece doeken besteld, want die ik had vielen in meer dan één opzicht tegen. Ze waren niet echt easy in onderhoud en ze hadden pompoms aan de randen. Dat lijkt een gezeefde mug, maar als je de bocht van de bank wil volgen, komen die bolletjes óp de kussens te liggen en wie daar op moet zitten heeft een moeilijk leven …

En toen was het klaar! De mini-narcisjes staan in bloei, de primula’s van vorig jaar ook, net als de peperboompjes. Overal zie je knoppen zwellen en soms zelfs al openbarsten. De mussen zijn al volop met nestmateriaal aan het zeulen en je ziet de gekste baltstaferelen in en onder de bomen en struiken.

Nu nog extra kleur voorzien voor de zomer. We waren bij de aanleg zó gefocust op het aantrekken van insecten, dat ik helemaal niet aan snijbloemen gedacht had. Gisteren moest ik voor mijn moeder in de Boerenbond in haar buurt zijn en daar stond een gróóóte mand vol zomerbollen. Tja, jààààààh ..!

Sinds vorig jaar heb ik mijn aversie tegen dahlia’s opzij gezet. Ik herinner mij uit mijn prille kindertijd dat wij op die halve zakdoek grond achter het huis ook dahlia’s staan hadden. En vooral: dat oorwurmen daar zo graag in kruipen. En dat mijn vader mij wijsmaakte dat die “orennijpers” in je oor kruipen en daar flink in bijten. Vandaar mijn slechte relatie tot die schitterende bloemen. Intussen denk ik bij “oorwurmen” meestal aan van die rotdeuntjes die je niet meer uit je hoofd krijgt. De dahlia’s hebben het gewonnen van de stomme verhaaltjes. Dus die heb ik zeker meegenomen.

Papavers vind ik ook zo mooi. Ze hebben iets héél fragiel, maar lijken toch ook stoer zoals ze daar rood staan te zijn. En om helemaal in de sfeer van de streek te blijven, ga ik mijn eigen opiumindustrie beginnen. (De afgelopen 365 dagen zijn er in Zeeuws-Vlaanderen 365 drugslabo’s, hennepkwekerijen etc. gevonden. ’t Is hier goeie grond … )

Manlief was al altijd een fan van gladiolen. Om mij onbekende redenen associeerde ik die altijd met kerkhoven. Eigenlijk zouden dat dan chrysanten moeten zijn, maar gladiolen waren voor mij altijd “kerkhofbloemen”. Bovendien stond het traditionele kleurassortiment mij niet echt aan. Het laatste jaar in Kruibeke had ik me toch laten vermurwen en een toen nieuwe soort geplant (vanillegeel met een sumier vleugje roze erin, geen idee hoe ze heetten). Eigenlijk viel dat nog mee.
Gisteren vond ik een zak bollen met een mengsel van heel donkerrode (paarse?) bloemen in combinatie met limoengele. Ik zag ze al wel in een vaas op een bepaald plekje en dat was voor mij het laatste duwtje in de rug.

De dood of de gladiolen? Het zijn de gladiolen geworden …

Vreemde vogels …

… en hoge nood.

Wij hebben uiteraard feeders in de tuin en in perioden zoals de afgelopen week wordt er nog gestrooid ook, voor de grondeters: zaden, stukken appel en meelwormen. Geen overbodige luxe, want de nood is hoog in pluimenland.

We hebben dan ook dagelijks een hele horde gasten aan de dis. Vertrouwde soorten, die het hele jaar door aanschuiven, maar ook trekkers die we enkel in de winter zien. Maar in de afgelopen week kregen we ook een paar extra bezoekers, die raar of zelden de tuinen frequenteren. Daarvoor moet het echt armoe troef zijn.

Zo zat er gisteren opeens een witte kwikstaart tussen de vinken op de grond. Supernerveus en lang hield hij het niet vol, maar toch net lang genoeg om zijn buikje eens rond te eten. In de loop van de week hadden we een kauw in de tuin. Die had het op de appels voorzien. En vanmorgen kwam er zelfs een kokmeeuw mee-eten.

Dat betekent dat het echt tijd wordt dat de dooi intreedt, want dat het miserie met watersaus is. Het zou me niets verwonderen dat in de volgende uren nog eens een sperwer zijn kans waagt. Er is er hier een in de buurt gespot in de afgelopen dagen …

Taak volbracht …

Het winterse maandelijkse “werk” is weer volbracht: we telden 4115 brandganzen, 123 grauwe ganzen, 40 Grote Canadese ganzen, 351 kolganzen, 530 toendarietganzen, 10 Nijlganzen en 21 knobbelzwanen, verspreid over 5 van de 7 telgebieden die ons toegewezen zijn. Hulst hebben we niet geteld wegens te druk en Paal is voor ganzen zelden een echte telpost.

Ook gezien, maar niet in onze opdracht voor Sovon (die staan al wel op waarnemingen.nl) : 3 watersnippen (maar ik sluit niet uit dat het er in werkelijkheid maar 2 zijn, want 2 waarnemingen waren nogal dicht bij elkaar in hetzelfde gebied), een koppeltje middelste zaagbekken (boterbuiken) en 9 patrijzen, naast verschillende “wolken” klein grut, waarvan niet altijd zo eenvoudig te zeggen is wat het is.

Het was een goed gevulde teldag!

Waterzande ..?

Wie morgen, 3 januari, de Vestingcross in Hulst volgt op tv, zal ongetwijfeld te pas en te onpas dit reklamespandoek op zijn/haar scherm krijgen. Het introduceert de commerciële benaming voor het project Perkpolder, dat een definitief einde zal maken aan een stuk open ruimte waar heel veel mensen tot hier toe plezier aan beleefden.

Al mijn hele leven lang weet ik niet beter dan dat Nederlanders zich verkneukelen over de “domme Belgen”. Het bedenken van “domme Belgen”-moppen is voor onze noorderburen zo’n beetje een nationale sport.
Toegegeven: als je nog maar even kijkt hoe de Belgen met hun open ruimte omspringen, kan je niet anders dan concluderen dat ze écht wel oliedom zijn.

Maar als ik nu zie hoe blindelings de Nederlanders dat achterna beginnen doen, dan vraag ik mij af wie hier eigenlijk de allergrootste stommeriken zijn. Hoe verschrompeld kunnen je hersenen zijn, dat je de stommiteiten die je bij je buren zo belachelijk vond, kritiekloos na-aapt?

Akkoord, er is meer betaalbare huisvesting voor starters nodig in de directe omgeving. Perkpolder valt onder Walsoorden, deelgemeente Hulst. Walsoorden is een kleine kern. Te klein om er enige nering van betekenis te vestigen. Een klein beetje gezond verstand zou dus die nieuwe woningen laten aansluiten bij deze bestaande woonkern, zodat het de moeite wordt voor een bakker, slager of buurtwinkel om er de deuren te openen. Dan hoefden de bewoners niet voor elk ei of klontje suiker naar Kloosterzande te komen of helemaal naar Hulst te rijden.

Maar nee, die nieuwe woningen komen bovenop een opspuiting (waarvan de destijds gebruikte ondergrond nog steeds onderwerp van onderzoek en betwisting uitmaakt i.v.m. gevaar voor de gezondheid!) waar iedereen nog eens kan genieten van vrij uitzicht over de Schelde. En daar gaan ze dan winkels vestigen, die maar een half seizoen de moeite van het openen zijn.

Akkoord, er is nood aan tewerkstelling om jonge mensen in de streek te houden, om te vermijden dat het hier een bewoond Bokrijk wordt. Met die smoes worden niet alleen huizen voor vaste bewoning gebouwd, maar ook vakantiewoningen en -godbetert – een hotel. Uiteraard zodanig gerangschikt dat er van een uitzicht niet veel meer overschiet, want dat wordt dus gemonopoliseerd door het geld. Datgene, wat de aantrekkingskracht is van de streek, wordt dus door de betonmolen gedraaid. We hebben het elders zien gebeuren en we hebben de gevolgen er van gezien.

Tewerkstelling? Voor jobstudentjes, tijdens die paar maanden per jaar dat er iemand in die vakantiewoningen gaat zitten. En éénmaal covid-19 uit het geheugen, zal dat nog minimaal zijn. Zelfs tijdens corona kunnen ze niet “in hun kot” of toch in eigen land blijven. De rest van het jaar staan die vakantiewoningen leeg en verkrotten, want dan is het niet langer winstgevend om ze te onderhouden. Idem voor het hotel.

Als ook dat vakantiedorp zou aansluiten aan de genoemde woonkern, kon de kruidenier in de zomermaanden emmertjes en schopjes verkopen, de bakker kon ijsjes aan de man/vrouw/kinderen kwijt en de zoon van de slager kon zichzelf nuttig maken met hamburgers op de bbq te keren of door fietsen te verhuren aan de toeristen die die 200 meter naar het strand niet te voet willen doen.

Overigens: als je de lokale handel en nering een plezier wil doen, waarom ga je dan in zee met een Belgische projectontwikkelaar? Die gaat zijn beton niet kopen in Walsoorden, want daar heeft hij geen percentjes.

En dan heb ik het nog niet gehad over de polder die aan de andere kant gaat opgespoten worden om er een golfterrein van te maken. Een golfterrein, begot! Een dorp verder wàs er een golfclub. In de jaren dat we hier komen en intussen ook wonen, heb ik er nooit méér dan 3 man en een lelijke paardenkop gezien. De club is naar het schijnt intussen ook dood en begraven. Met golflinks in Stekene, Wachtebeke en nog ergens rond Gent en net voorbij Terneuzen, heb ik zo mijn vragen bij de leefbaarheid van dit doodgeboren idee.

Kortom: eigenlijk staat er een dikke schrijffout van jewelste op dat spandoek. “Waterzande” moet eigenlijk “Waterschande” zijn …

Een volk dat zijn oevers vol bouwt, verloochent zijn afkomst.
uit “Carnet pour Sarah”, J.-F. Bernardini.

Een vakantie als geen andere …

… of geen vakantie als een andere?

Het verschil zit ‘m in de plaats van dat éne lettertje. Niets bijzonders, zo te zien, maar een wereld van verschil in aanvoelen.

Nochtans was de bestemming al jaren zo’n beetje onze tweede thuis: Terschelling. De reservering was eind januari al afgerond, om zeker te zijn dat we nog die éne vrijstaande periode in de herfst konden te pakken krijgen. Corona was nog ver van ons bed, dus “why nut?“.

Maar in maart moesten we vervroegd van Texel vertrekken, Tiengemeten verhuisde van mei naar september, wat ook al geen meerwaarde gaf vanwege miljoenen knutten. En hoe dichterbij de datum van vertrek kwam, hoe onzekerder de situatie werd. Waardoor de gebruikelijke voorpret verdween als sneeuw voor de zon.

Eerst moesten we doorheen mijn besmetting en Manlief’s quarantaine geraken. Dan begon het rondbellen: naar de huisbaas en de lokaal bevoegde GGD en naar de eigen huisarts voor raad. Naar de annulatieverzekering, voor het geval Marc Rutte & co de zaak in extremis op slot gooiden. Die trokken het zich enkel aan als één van ons besmet was. Dus even naar de huisartsassistente gebeld om mijn besmetting te laten bevestigen op papier (was inmiddels al wel uitgequarantained, maar je kan hervallen, toch?).

Koffers pakken, maar nog niet naar beneden brengen, want wie weet staan ze daar wel voor niets in de weg. Boodschappen voor 2 weken voor mijn moeder. Niet dat dàt verloren is, want eten moet ze toch. Géén boodschappen voor ons, nog altijd in de veronderstelling dat we mogen, kunnen en willen vertrekken.

We gaan.

De nacht vóór het vertrek wakker liggen. Is het dat allemaal wel waard? En is het verantwoord? Maar ook: we zijn daar minstens zo veilig als thuis. We verblijven aan het eind van de eilander beschaving. We koken zelf en on occasion halen we iets uit of laten het bezorgen. We mijden (altijd al, ook zonder corona) drukke plaatsen, samenscholingen, … Wandelen doen we op plaatsen en tijdstippen dat de andere toeristen nog niet eens aan hun ontbijt toe zijn. Vogels kijken doe je toch al niet in groep (al zie je soms nog wel eens een bende van zo’n 100 twitchers staan gapen naar 1 enkele mus met een rood veertje in haar kont, maar niet op Terschelling). En er zit een voorraad mondkapjes, nitryl handschoenen en ontsmettingsgel in de auto waar je een heel OK mee te lijf kan.

We hebben de avondboot van 18u. Dat betekent dat we ten laatste om 17u30 op het havenplein moeten zijn. We lunchen dus nog thuis en omdat je net zo goed rustig kan rijden als nog een paar uur naar elkaar te zitten kijken en ongeduldig te zuchten, vertrekken we. Rustig, dus. Maar niet helemaal onbezorgd. Eten kan niet zoals anders op de boot of in de haven, wegens de sluiting van de horeca. Ik heb – geleerd van Tiengemeten – een paar opwarmmaaltijden mee, want we zijn ten vroegste ergens rond 20u30 in ons huisje.

Pas op dag 2 pak ik de laatste bagage uit. Gewoon. Omdat ik er niet eerder zin in heb. Boodschappen worden nog beter gepland dan anders, want het is drukker dan anders. Herfstvakanties. In eigen land voor de Nederlanders. We beseffen ook dat – net als op Texel – de rust die we hier vonden nooit meer echt zal weerkeren, want de Nederlanders ontdekken eindelijk hun eigen land.

Schiermonnikoog valt als laatste non-coronabastion.

Eerste werk na het boodschappen doen: een pot verse soep maken voor na de wandeling. Het gebeurt nu meer uit gewoonte dan uit een gekoesterde traditie. En ze smaakt anders.
Na de middag toch nog even de wandelschoenen aantrekken en met het fototoestel op paddenstoelenjacht. Er zijn er al, maar nog niet zoveel als vorig jaar. Nog een regenbui wachten, denk ik.

Manlief en ik lossen elkaar af bij het wandelen, zo hebben we elk om beurt een luie dag. Er zijn al wel kleine trekkertjes: tjakkers, koperwieken, goudhaantjes, hier en daar ook een paar kepen. Er zit een grote groep goudplevieren in de polder en ook al een paar honderd rotjes. Maar de echt grote aantallen zijn er nog niet. Het heeft te lang ge(na)zomerd. Hoogtepunt van vogelweek 1: een havik die een blauwe kiekendief opjaagt, die op zijn beurt een buizerd uit dekking peutert. En dat alles binnen pakweg 300m.

Zaterdagavond en normaal zouden we nu uit eten gaan. Gelukkig is er ook mogelijkheid om afhaalmaaltijden te bestellen. We bekijken online het aanbod van het lokale taparestaurant en ik bel de bestelling door voor tegen 18u. Net nà El Classico (om in de sfeer te blijven) en op tijd terug voor ManU vs. Chelsea. Die tweede match is vooral slaapverwekkend. En dat met de XXL Nacht van de Nacht voor de boeg.

Zondagochtend, winteruur en we zijn over halfweg. Ochtendwandeling in het bos, want de wind is flink aangewakkerd. Dat hoeft voor ons geen beletsel te zijn, maar voor hondjes is het niet leuk omdat het stuifzand zich net op hun ooghoogte verplaatst.

Het hoge woord komt er uit: ik vertel dat ik de vakantiestemming maar niet te pakken krijgt en prompt bevestigt Manlief dat dat bij hem hetzelfde is. De enige die hier op een roze wolk zit, is de hond. We luchten allebei ons hart en gaan dan over tot de orde van de dag. Opeens is de lucht minder zwaar. Uit die éne week gaan we nog het maximum halen. Tegen 5-6 Bft in.

Nog twee dagen te gaan en de huisbazin komt even een praatje maken. Kort door de bocht komt het er op neer dat ze heel slecht nieuws gekregen heeft bij de arts: uitgezaaide kanker in de longen. Of ze nog in aanmerking komt voor behandeling zal ze horen terwijl wij die laatste dagen doorbrengen en inpakken om te vertrekken. Het nieuws hakt er wel even flink in. We beloven plechtig alles even netjes achter te laten als we het gevonden hebben. Het was al een dag met vallen en opstaan (letterlijk voor Manlief) en – zonder dat het uitgesproken werd – begrepen we dat dit adresje wegvalt.

Tijdens de volgende nacht hebben we allebei onze eigen gedachten over Terschelling. Bijna 30 jaar zijn we hier te gast geweest. Terschelling is vooral het eiland geweest waar we urenlange wandelingen langs de waterlijn maakten om dingen te verwerken die we door het jaar niet verstouwd kregen. Soms zwijgend naast elkaar, soms dingen uitsprekend die elders niet konden benoemd worden. Soms ieder voor zich, pratend, fluisterend, schreeuwend tegen de golven. De Noordzee als therapeut, het wad als zielenzalf.
We zijn die moeilijke tijden ontgroeid, de wandelingen zijn aanzienlijk korter geworden. Dàt waarvoor we naar hier kwamen, is voorbij. Tijd om af te sluiten.

Het is een bevrijding dat we allebei hetzelfde voelen en dat het ook hardop uitgesproken is. De laatste volledige dag wordt ingezet met een boswandeling. Langs de paden die we kunnen dromen. Langs de bankjes waar we van het zonnetje genoten, onze vermoeide voeten even lieten rusten, meegebrachte boterhammetjes opaten, … Dan het bos uit en langs de duinrand verder. De zon breekt door, een dubbele regenboog wuift ons uit.

In de namiddag ga ik in mijn eentje met Jeppe naar het strand. Een laatste keer voorbij Heartbreak Hotel, dan rechtsaf richting Amelander Gat. Morgen is het Manlief’s beurt om afscheid te nemen terwijl ik het huisje aan kant doe. ’s Avonds nog één keer tapa’s van de Reis. En overmorgen om 6u op voor de vroege boot…