De tuin eind maart …

Sommige dingen in de natuur gebeuren explosief in deze tijd van het jaar. Anderen nemen rustig de tijd, wachten nog even af of het wel allemaal écht is, dat lentegebeuren. En af en toe is er een “snelle jelle” die als het ware een beetje rechtsomkeer maakt als de temperatuur weer zakt of als het te nat wordt. Tijd om weer eens poolshoogte te nemen.

Een week of 4 geleden kocht ik een paar cyclamen om in de vensterbank te zetten. Ze bloeien nog steeds prachtig, maar nu de zon er bijna de hele dag op zit, kan ik er wel naast gaan staan met een gieter. Ik heb ze nu in de volle grond gezet.


De beide acers die we vorig jaar kochten (en die het aanvankelijk vreselijk moeilijk hadden: links Going Green en rechts Shaina)) zijn er helemaal klaar voor.

Ook laag bij de grond is de lente begonnen. De maagdenpalm weet zich met zijn energie geen blijf.

Ik vind dat vetplanten schromelijk ondergewaardeerd worden. Van deze weet ik de naam niet meer, maar momenteel kronkelen de takken van dit exemplaar zich als dikke slangen met gele koppen over de grond. De textuur vrààgt gewoon om gefotografeerd te worden.

Ik heb vast de taartvorm klaargezet. Ik heb zó’n zin in rabarbercrumble!!!

Vorig jaar had ik onze Callistemon citrinus (rode lampenpoetser) wel in de veranda gehaald voor de winter, maar ik vertrouw het toch niet helemaal zoals hij er nu bij staat. Dus toen ik afgelopen donderdag schuin tegenover de dierenartsenpraktijk deze kumquat zag staan, besloot ik hem maar mee te nemen als backup … Jammer genoeg ben ik het kaartje met de naam van de variëteit kwijtgespeeld.

Even over de schutting spieken of bij de buren de magnolia al in bloem staat (antwoord: ja). Wat is die kamperfoelie toch nieuwsgierig!

Tja, en als je de vogels in de tuin voert, moet je dit er bij nemen … Momenteel hebben we gemiddeld 12 – 15 groenlingen, 6 distelvinken, enkele koppels tortels, een paar bosduiven, twee dozijn huismussen, een stel merels, een zanglijster en een wisselend aantal spreeuwen te gast. En dan heb ik het nog niet over de kauwen die doodgewoon boven ons hoofd, op het glas van de veranda, hun meegebrachte boterhammekes komen opeten!

De tuin eind februari …

Er zijn nog veel kale plekken in de tuin in deze tijd van het jaar. Maar ik heb vorig jaar al uitgelegd dat dat veel te maken heeft met onze keuze voor een insecten/vogeltuin. De bijen- en vlinderplanten die binnenkort weelderig gaan bloeien, moet nu nog bovengronds komen. De struiken die er voor het jolijt en de bescherming van de vogels gezet zijn, zijn hoofdzakelijk bladverliezers, maar ook daar komt snel verandering in.

De sleutel tot onze nederige stulp: de primula’s die eerst voor wat kleur in de veranda zorgden, maar intussen mogen genieten van het zonnetje langs de straatkant.
De plantenhoek in de veranda. De kleurige takken zijn nep, in afwachting van the real thing. De fake appeltjes zijn eigenlijk kerstversiering die ik daar gehangen had om een elektriciteitsbuis te vermommen. En ik was daar dusdanig content over, dat ze er met Pasen nog zullen hangen. De pluimen en jodenkers (mag dat nog zo genoemd worden?) stonden in een enorme vaas die Manlief heel mooi vindt (ik ook trouwens), maar waar je geen voldoende grote bloemen voor vindt. Afgelopen najaar heb ik er 4 hortensiakoppen in gezet.
Het klimrek achteraan rechts hing vorige winter en de hele zomer vol witte bloemen van de Mandevilla, maar ik heb hem nu eens streng gekort om hem vanaf onderaan wat dichter te krijgen. Het boompje ervóór hebben we binnen laten overwinteren. Die gaat binnen een paar weken weer in zijn grote kuip naast het tuinsalon. Het is een Callistemon citrinus of rode lampenpoetser. Australisch van afkomst en dus niet echt opgezet met die winterse kuren hier.
Net buiten de veranda, maar in dezelfde richting: mijn planttafeltje, de scheve waslijn (…), het verhoogde bed waar tot vorig jaar een grote chamaecyparis stond. Die had van de februaristorm in 2019 een serieuze krak gekregen en de vervanging van de omgewaaide omheining gaf de ultieme doodsteek. Nog niet zichtbaar op deze foto wegens te iel: de twee acers (Acer palmatum ‘Going Green’ en Acer palmatum ‘Shaina’) die we er gezet hebben en waarvan ik tot mijn grote vreugde heb vastgesteld dat ze niet alleen de hitte van vorige zomer, maar ook de recente stuiptrekking van de winter hebben overleefd. Op de grond doen verschillende vetplanten en de resterende maagdenpalm hun best om op termijn een dichte mat te vormen. De vinca minor (kleine maagdenpalm) heeft heel erg afgezien van de zomerhitte, maar ik merk toch dat er tussen de grotere plantjes ook opnieuw vanuit de wortel gewerkt wordt.
In de voorgrond de nog niet erg aantrekkelijke stekels van de Calamintha grandiflora of steenthijm. Samen met Nepeta x faassenii ‘Six Hills Giant’ wat verderop vormt hij een zee van kleine bloemen die honderden bijen, hommels en vlinders trekken. Schuif de glazen pui open en je hoort het gezoem van al die bedrijvige vleugeltjes tot binnen!
De gele primula die daar in volle bloei staat heeft vorig jaar het traject veranda – voordeur – tuin al afgelegd. De maagdenpalm begint ook te bloeien.
Ik ben geen liefhebber van grootbloemige magnolia’s. In de plaats kregen de acers deze kleinbloemige variant Magnolia laevifolia ‘Summer Snowflake’ of beverboom als buur. Een latertje dat pas in april/mei bloeit en niet veel hoger dan 1,5m zou worden. De bloemknoppen lijken een beetje op beukennootjes. Bladhoudend doorheen de winter.
De Viburnum opulus ‘Roseum’ of sneeuwbal kan nog amper wachten. En een paar meter verderop staat ook de Amelanchier laevis of Drents krentenboompje op ontploffen.
Bij Daphne mezereum of het rode peperboompje is het al zover. De takken worden eerst overladen met roodpaarse bloempjes, pas dan komt het blad volop open.
Vorige week ca. 10 cm boven de grond, nu al bijna 30 cm: verschillende sieruien in groepen. Je kan ze zien groeien terwijl je er bij staat …
Begin van het vuurwerk: de Photinia fraseri ‘Red Robin’ of glansmispel viert het begin van de lente met vlammend rode bladeren. Op het toppunt lijkt de struik echt in brand te staan!
Jasminum nudiflorum (de winterjasmijn) mag dan een vroegbloeier zijn, hij vraagt wél het nodige geduld eer hij aan omvang wint.
Dan is de Lonicera of kamperfoelie enthousiaster!
Jeppe geniet. Een lekker zonnetje, de deuren open zodat hij in en uit kan lopen. En nog geen vliegen, want daar wordt hij hysterisch van (hij heeft geen eigen vliegenmepper, want zijn staart werd gecoupeerd in Spanje). Elke dag slentert hij van het éne naar het andere plantje, ruikt hoe groot het al is en als de grond te droog is, … je weet wel. Jammer genoeg zijn de dwergconifeertjes daar niet zo gelukkig mee.

“De dood of de gladiolen” …

Een mens heeft, vooral in de winter en nog meer in de huidige tijden, iets nodig om naar uit te kijken. Omdat het nog maar de vraag is wanneer we ooit aan onze coronaprik gaan geraken en omdat we besloten hebben minstens te wachten tot het moment dat we daar zicht op krijgen, hebben we al wél ons oog laten vallen op een vakantiehuisje voor het najaar, maar reserveren doen we nog niet. En dus ligt de hele focus dezer dagen op de tuin.

Afgelopen maandag kwamen de tuinmannen voor het zwaardere werk: de eerste schoonmaak na de winter, snoeien, en ook: wat uitleg geven die ik nodig had om nog wat aanvullingen te bedenken zonder de boel te verpesten. We hebben afgesproken dat we het vanaf nu weer zelf overnemen, maar als er dingen zijn die ons boven het hoofd (en vooral boven de rug) gaan, dan hoeven we maar te bellen om af te spreken wanneer ze ons komen helpen. Met een uurtje of drie waren ze er mee klaar en was ook het snoeisel ineens weg. We hebben de hele namiddag zitten genieten van het frisse uitzicht.

Dinsdag gingen we zelf aan de slag: de vijver moest een beurt krijgen (de visjes zijn flink gegroeid!), de pompen hebben in de diepte hun werk gedaan. De bijendrinkschaal is schoongemaakt en gevuld. Ik maakte een inventaris van kale plekken, zodat ik aanvullingen kan bedenken. En in de voortuin werd ook schoongemaakt. Een 5-tal primula’s, die ik in een lampetkom op het tafeltje in de veranda had staan, werden in een plantenbakje gezet en kregen een plaatsje aan de voordeur.

Woensdag moesten de planten in de veranda er aan geloven: waar nodig wat dood blad weghalen of wat potgrond toevoegen, eens goed gieten en meststof geven, de potten weer wat ruimer schikken en het fonteintje vullen.

Donderdag kwam dan de kroon op het werk van de week: de kussens van de zetels werden uitgepakt, nadat er eerst eens goed gepoetst was in ons “buitensalon”. Ik heb wel nieuwe fleece doeken besteld, want die ik had vielen in meer dan één opzicht tegen. Ze waren niet echt easy in onderhoud en ze hadden pompoms aan de randen. Dat lijkt een gezeefde mug, maar als je de bocht van de bank wil volgen, komen die bolletjes óp de kussens te liggen en wie daar op moet zitten heeft een moeilijk leven …

En toen was het klaar! De mini-narcisjes staan in bloei, de primula’s van vorig jaar ook, net als de peperboompjes. Overal zie je knoppen zwellen en soms zelfs al openbarsten. De mussen zijn al volop met nestmateriaal aan het zeulen en je ziet de gekste baltstaferelen in en onder de bomen en struiken.

Nu nog extra kleur voorzien voor de zomer. We waren bij de aanleg zó gefocust op het aantrekken van insecten, dat ik helemaal niet aan snijbloemen gedacht had. Gisteren moest ik voor mijn moeder in de Boerenbond in haar buurt zijn en daar stond een gróóóte mand vol zomerbollen. Tja, jààààààh ..!

Sinds vorig jaar heb ik mijn aversie tegen dahlia’s opzij gezet. Ik herinner mij uit mijn prille kindertijd dat wij op die halve zakdoek grond achter het huis ook dahlia’s staan hadden. En vooral: dat oorwurmen daar zo graag in kruipen. En dat mijn vader mij wijsmaakte dat die “orennijpers” in je oor kruipen en daar flink in bijten. Vandaar mijn slechte relatie tot die schitterende bloemen. Intussen denk ik bij “oorwurmen” meestal aan van die rotdeuntjes die je niet meer uit je hoofd krijgt. De dahlia’s hebben het gewonnen van de stomme verhaaltjes. Dus die heb ik zeker meegenomen.

Papavers vind ik ook zo mooi. Ze hebben iets héél fragiel, maar lijken toch ook stoer zoals ze daar rood staan te zijn. En om helemaal in de sfeer van de streek te blijven, ga ik mijn eigen opiumindustrie beginnen. (De afgelopen 365 dagen zijn er in Zeeuws-Vlaanderen 365 drugslabo’s, hennepkwekerijen etc. gevonden. ’t Is hier goeie grond … )

Manlief was al altijd een fan van gladiolen. Om mij onbekende redenen associeerde ik die altijd met kerkhoven. Eigenlijk zouden dat dan chrysanten moeten zijn, maar gladiolen waren voor mij altijd “kerkhofbloemen”. Bovendien stond het traditionele kleurassortiment mij niet echt aan. Het laatste jaar in Kruibeke had ik me toch laten vermurwen en een toen nieuwe soort geplant (vanillegeel met een sumier vleugje roze erin, geen idee hoe ze heetten). Eigenlijk viel dat nog mee.
Gisteren vond ik een zak bollen met een mengsel van heel donkerrode (paarse?) bloemen in combinatie met limoengele. Ik zag ze al wel in een vaas op een bepaald plekje en dat was voor mij het laatste duwtje in de rug.

De dood of de gladiolen? Het zijn de gladiolen geworden …

Vreemde vogels …

… en hoge nood.

Wij hebben uiteraard feeders in de tuin en in perioden zoals de afgelopen week wordt er nog gestrooid ook, voor de grondeters: zaden, stukken appel en meelwormen. Geen overbodige luxe, want de nood is hoog in pluimenland.

We hebben dan ook dagelijks een hele horde gasten aan de dis. Vertrouwde soorten, die het hele jaar door aanschuiven, maar ook trekkers die we enkel in de winter zien. Maar in de afgelopen week kregen we ook een paar extra bezoekers, die raar of zelden de tuinen frequenteren. Daarvoor moet het echt armoe troef zijn.

Zo zat er gisteren opeens een witte kwikstaart tussen de vinken op de grond. Supernerveus en lang hield hij het niet vol, maar toch net lang genoeg om zijn buikje eens rond te eten. In de loop van de week hadden we een kauw in de tuin. Die had het op de appels voorzien. En vanmorgen kwam er zelfs een kokmeeuw mee-eten.

Dat betekent dat het echt tijd wordt dat de dooi intreedt, want dat het miserie met watersaus is. Het zou me niets verwonderen dat in de volgende uren nog eens een sperwer zijn kans waagt. Er is er hier een in de buurt gespot in de afgelopen dagen …

Taak volbracht …

Het winterse maandelijkse “werk” is weer volbracht: we telden 4115 brandganzen, 123 grauwe ganzen, 40 Grote Canadese ganzen, 351 kolganzen, 530 toendarietganzen, 10 Nijlganzen en 21 knobbelzwanen, verspreid over 5 van de 7 telgebieden die ons toegewezen zijn. Hulst hebben we niet geteld wegens te druk en Paal is voor ganzen zelden een echte telpost.

Ook gezien, maar niet in onze opdracht voor Sovon (die staan al wel op waarnemingen.nl) : 3 watersnippen (maar ik sluit niet uit dat het er in werkelijkheid maar 2 zijn, want 2 waarnemingen waren nogal dicht bij elkaar in hetzelfde gebied), een koppeltje middelste zaagbekken (boterbuiken) en 9 patrijzen, naast verschillende “wolken” klein grut, waarvan niet altijd zo eenvoudig te zeggen is wat het is.

Het was een goed gevulde teldag!

Herfstwerk …

Er is herfstwerk aan de winkel! Achterstallig snoeiwerk, planten die binnen gehaald moeten worden of toch op z’n minst moeten voorbereid worden voor als ze een warm jasje aan moeten. Inpakken doe ik nog niet, daar is het nog te warm voor. Maar Ik zet er bijvoorbeeld vast een frame rond, zodat – als de temperatuur plots een stuk lager wordt – ik nog slechts de winterjassen moet ophangen.

De metasequoia’s in de straat blíjven maar naalden verliezen. En de afgelopen week heeft het niet eens zo hard gewaaid. Vorige week nog reed de City Cat rond om de goten te ontdoen van die zooi. Vandaag heb ik een volle mand bijeen geveegd en dat was dan nog niet eens zo nauwkeurig. Er hangen er nog aan …

De tweede (grote) voedercilinder is ook hersteld, gevuld en opgehangen. Eergisteren stond Jeppe bij de avondplas van zijn “galetten” te maken en toen ik de zaklamp pakte, zat daar – jawel – een egel! Ondanks de gedeeltelijke lockdown heb ik dus het egelrestaurant geopend, weliswaar met een beperkt menu. Nu maar hopen dat er geen verklikkers in de buurt wonen …

De lavendel achteraan heeft een kort kopje. De bellenboom (fuchsia) zijn wat in het gareel gebracht. Ze staan nog steeds in bloei en er waren nog bijen aan het rondzoemen, dus ik heb geprobeerd zo weinig mogelijk bloemen weg te halen. Uiteindelijk vallen ze beter mee dan ik eerder dacht, maar ze mogen de peperboompjes niet wegdrukken. Daar stonden trouwens ook knopjes in, net als in de camelia en de hibiscus. Als er nu opeens een vorstperiode komt, hebben we volgend jaar niets, denk ik.

Morgen verder doen. Het was tijd om te stoppen. Ik zit alweer 3 weken met een “froozen shoulder“. Gisteren eerste keer kine en huiswerk meegekregen. Maar dat houdt dus wel in dat ik met mijn linker arm (gelukkig die!) niet veel macht kan zetten of bewegen. Handig is anders …

De orde van de dag …

Terug thuis, (bijna) alle reistroep is opgeruimd, de voorraadkasten gevuld, want we gaan weer over tot de orde van de dag.

Volgens de buienradar komen er deze week nog wel een aantal dagen in aanmerking om in de tuin nog wat te wroeten. Als ik Jeppe mag geloven, hebben we terug een bewoner in het egelhuis. Dat betekent dat ik nog een aantal weken voor egelkost moet zorgen. En ’s avonds de cameraval opstellen voor bevestiging. De vogels hebben de feeder ook goed leeg gemaakt, dus die ga ik straks vullen, de hele grote cilinder herstellen en ook vullen en dan kunnen ze weer een paar dagen verder.

De afgelopen dagen heb ik vol ongeloof naar de mensen gekeken. We moeten onze contacten tot net geen 0 beperken en wat doen ze? Als de haren op een hond, zó dicht opéén in de winkelstraten rondkrioelen! Ik heb me gisteren bij het eten inslaan voor de volgende week een paar keer omgedraaid en van die idioten van mijn schouders gejaagd. Twee keer bijna ín de schappen geduwd door iemand die had gelezen dat we nu maar 1,5 CM meer van elkaar weg moesten blijven… Ik kon me niet rap genoeg uit de voeten maken. Gelukkig hoef ik nu heel de week niet meer naar de winkel.

Het nieuws over de (de facto) gehele lockdown kwam even niet goed binnen, vrijdag. We hadden al besloten voorlopig alle gedachten aan vakanties voor volgend jaar uit onze gedachten te zetten en het vertrek van covid-19 af te wachten. De geplande logeerpartijtjes van de kleinkinderen werden afgeblazen. Nu zag ik in eerste instantie geen reden om dit jaar een kerstboom te zetten. Maar een paar minuten later dacht ik: “Wacht eens! Wij zijn er ook nog! Ik zet wél een kerstboom, ik hang wél versiering en nog méér dan anders! Omdat we het waard zijn …”

En dus heb ik intussen al 3 takken in gedachten om de raamversiering dit jaar mee te maken. Ideetjes (méér dan ik kan gebruiken) komen uit een Kerstspecial van Landidee, evenals een paar goeie ideetjes voor een feestelijke maaltijd. Het begin van de advent is al uitgeteld, zodat ik weet wanneer ik met de opbouw kan beginnen: elke week wat méér. Alle invallen worden genoteerd in een schriftje dat nog lag te wachten op inhoud. Zin in!

Maar eerst ramen lappen. God, wat zien die er uit!

Een vakantie als geen andere …

… of geen vakantie als een andere?

Het verschil zit ‘m in de plaats van dat éne lettertje. Niets bijzonders, zo te zien, maar een wereld van verschil in aanvoelen.

Nochtans was de bestemming al jaren zo’n beetje onze tweede thuis: Terschelling. De reservering was eind januari al afgerond, om zeker te zijn dat we nog die éne vrijstaande periode in de herfst konden te pakken krijgen. Corona was nog ver van ons bed, dus “why nut?“.

Maar in maart moesten we vervroegd van Texel vertrekken, Tiengemeten verhuisde van mei naar september, wat ook al geen meerwaarde gaf vanwege miljoenen knutten. En hoe dichterbij de datum van vertrek kwam, hoe onzekerder de situatie werd. Waardoor de gebruikelijke voorpret verdween als sneeuw voor de zon.

Eerst moesten we doorheen mijn besmetting en Manlief’s quarantaine geraken. Dan begon het rondbellen: naar de huisbaas en de lokaal bevoegde GGD en naar de eigen huisarts voor raad. Naar de annulatieverzekering, voor het geval Marc Rutte & co de zaak in extremis op slot gooiden. Die trokken het zich enkel aan als één van ons besmet was. Dus even naar de huisartsassistente gebeld om mijn besmetting te laten bevestigen op papier (was inmiddels al wel uitgequarantained, maar je kan hervallen, toch?).

Koffers pakken, maar nog niet naar beneden brengen, want wie weet staan ze daar wel voor niets in de weg. Boodschappen voor 2 weken voor mijn moeder. Niet dat dàt verloren is, want eten moet ze toch. Géén boodschappen voor ons, nog altijd in de veronderstelling dat we mogen, kunnen en willen vertrekken.

We gaan.

De nacht vóór het vertrek wakker liggen. Is het dat allemaal wel waard? En is het verantwoord? Maar ook: we zijn daar minstens zo veilig als thuis. We verblijven aan het eind van de eilander beschaving. We koken zelf en on occasion halen we iets uit of laten het bezorgen. We mijden (altijd al, ook zonder corona) drukke plaatsen, samenscholingen, … Wandelen doen we op plaatsen en tijdstippen dat de andere toeristen nog niet eens aan hun ontbijt toe zijn. Vogels kijken doe je toch al niet in groep (al zie je soms nog wel eens een bende van zo’n 100 twitchers staan gapen naar 1 enkele mus met een rood veertje in haar kont, maar niet op Terschelling). En er zit een voorraad mondkapjes, nitryl handschoenen en ontsmettingsgel in de auto waar je een heel OK mee te lijf kan.

We hebben de avondboot van 18u. Dat betekent dat we ten laatste om 17u30 op het havenplein moeten zijn. We lunchen dus nog thuis en omdat je net zo goed rustig kan rijden als nog een paar uur naar elkaar te zitten kijken en ongeduldig te zuchten, vertrekken we. Rustig, dus. Maar niet helemaal onbezorgd. Eten kan niet zoals anders op de boot of in de haven, wegens de sluiting van de horeca. Ik heb – geleerd van Tiengemeten – een paar opwarmmaaltijden mee, want we zijn ten vroegste ergens rond 20u30 in ons huisje.

Pas op dag 2 pak ik de laatste bagage uit. Gewoon. Omdat ik er niet eerder zin in heb. Boodschappen worden nog beter gepland dan anders, want het is drukker dan anders. Herfstvakanties. In eigen land voor de Nederlanders. We beseffen ook dat – net als op Texel – de rust die we hier vonden nooit meer echt zal weerkeren, want de Nederlanders ontdekken eindelijk hun eigen land.

Schiermonnikoog valt als laatste non-coronabastion.

Eerste werk na het boodschappen doen: een pot verse soep maken voor na de wandeling. Het gebeurt nu meer uit gewoonte dan uit een gekoesterde traditie. En ze smaakt anders.
Na de middag toch nog even de wandelschoenen aantrekken en met het fototoestel op paddenstoelenjacht. Er zijn er al, maar nog niet zoveel als vorig jaar. Nog een regenbui wachten, denk ik.

Manlief en ik lossen elkaar af bij het wandelen, zo hebben we elk om beurt een luie dag. Er zijn al wel kleine trekkertjes: tjakkers, koperwieken, goudhaantjes, hier en daar ook een paar kepen. Er zit een grote groep goudplevieren in de polder en ook al een paar honderd rotjes. Maar de echt grote aantallen zijn er nog niet. Het heeft te lang ge(na)zomerd. Hoogtepunt van vogelweek 1: een havik die een blauwe kiekendief opjaagt, die op zijn beurt een buizerd uit dekking peutert. En dat alles binnen pakweg 300m.

Zaterdagavond en normaal zouden we nu uit eten gaan. Gelukkig is er ook mogelijkheid om afhaalmaaltijden te bestellen. We bekijken online het aanbod van het lokale taparestaurant en ik bel de bestelling door voor tegen 18u. Net nà El Classico (om in de sfeer te blijven) en op tijd terug voor ManU vs. Chelsea. Die tweede match is vooral slaapverwekkend. En dat met de XXL Nacht van de Nacht voor de boeg.

Zondagochtend, winteruur en we zijn over halfweg. Ochtendwandeling in het bos, want de wind is flink aangewakkerd. Dat hoeft voor ons geen beletsel te zijn, maar voor hondjes is het niet leuk omdat het stuifzand zich net op hun ooghoogte verplaatst.

Het hoge woord komt er uit: ik vertel dat ik de vakantiestemming maar niet te pakken krijgt en prompt bevestigt Manlief dat dat bij hem hetzelfde is. De enige die hier op een roze wolk zit, is de hond. We luchten allebei ons hart en gaan dan over tot de orde van de dag. Opeens is de lucht minder zwaar. Uit die éne week gaan we nog het maximum halen. Tegen 5-6 Bft in.

Nog twee dagen te gaan en de huisbazin komt even een praatje maken. Kort door de bocht komt het er op neer dat ze heel slecht nieuws gekregen heeft bij de arts: uitgezaaide kanker in de longen. Of ze nog in aanmerking komt voor behandeling zal ze horen terwijl wij die laatste dagen doorbrengen en inpakken om te vertrekken. Het nieuws hakt er wel even flink in. We beloven plechtig alles even netjes achter te laten als we het gevonden hebben. Het was al een dag met vallen en opstaan (letterlijk voor Manlief) en – zonder dat het uitgesproken werd – begrepen we dat dit adresje wegvalt.

Tijdens de volgende nacht hebben we allebei onze eigen gedachten over Terschelling. Bijna 30 jaar zijn we hier te gast geweest. Terschelling is vooral het eiland geweest waar we urenlange wandelingen langs de waterlijn maakten om dingen te verwerken die we door het jaar niet verstouwd kregen. Soms zwijgend naast elkaar, soms dingen uitsprekend die elders niet konden benoemd worden. Soms ieder voor zich, pratend, fluisterend, schreeuwend tegen de golven. De Noordzee als therapeut, het wad als zielenzalf.
We zijn die moeilijke tijden ontgroeid, de wandelingen zijn aanzienlijk korter geworden. Dàt waarvoor we naar hier kwamen, is voorbij. Tijd om af te sluiten.

Het is een bevrijding dat we allebei hetzelfde voelen en dat het ook hardop uitgesproken is. De laatste volledige dag wordt ingezet met een boswandeling. Langs de paden die we kunnen dromen. Langs de bankjes waar we van het zonnetje genoten, onze vermoeide voeten even lieten rusten, meegebrachte boterhammetjes opaten, … Dan het bos uit en langs de duinrand verder. De zon breekt door, een dubbele regenboog wuift ons uit.

In de namiddag ga ik in mijn eentje met Jeppe naar het strand. Een laatste keer voorbij Heartbreak Hotel, dan rechtsaf richting Amelander Gat. Morgen is het Manlief’s beurt om afscheid te nemen terwijl ik het huisje aan kant doe. ’s Avonds nog één keer tapa’s van de Reis. En overmorgen om 6u op voor de vroege boot…

Een lucht vol …

Een lucht vol ganzengakken. De kleine familieklusters worden al groepen van 40 – 50, tot wel 100 ganzen. Aan hun vliegen kan je zien waar de boeren het graan binnen gehaald hebben.

De zwaluwen zijn er nog, maar ze zitten al op draden en omheiningen hun aanstaande tocht te bespreken.

En het licht verkleurt …

Dagje natuur …

Dit weekend was voor ons het laatste Sovon-telweekend van dit seizoen. Omdat we eigenlijk – op een paar soepganzen na – niets of toch weinig verwachtten, besloten we gewoon alles te noteren wat we tegenkwamen. Alleen de ganzen, zwanen, wulpen (0) en kievitten (1) worden gemeld aan Sovon. De rest is voor waarnemingen.nl. En voor onszelf. Want aan de beestjes leer je je streek kennen.

Jammer genoeg geen foto’s, maar de volgende dagen gaan we met de camera’s op pad i.p.v. potlood en registreerkaarten. Intussen probeer ik é.e.a. te illustreren met bijpassende links.

Buitenbeentje nummer 1 was een Engelse kwikstaart. Manlief dacht eerst aan een citroenkwikstaart, maar bij nader inzien houden we het op eerstgenoemde, wegens een stuk waarschijnlijker dat we die  hier gaan tegenkomen. Je moet niet té excentriek willen zijn.

Zoals verwacht waren er weinig ganzen, maar toch heb ik er nog wel een aantal kunnen noteren. Nog 4 soorten zelfs: grauwe gans, Egyptische of Nijlgans (een exoot, maar tegenwoordig op sommige plaatsen een echte plaag en bovendien behoorlijk agressief),  grote Canadese gans, en zelfs nog een brandgans (een nonnetje, zoals ze ook genoemd worden en als je de afbeelding bekijkt, snap je wel waarom).

Vlakbij de Vlaamse Kreek keek ik even omhoog en wat ik zag was zéker geen buizerd, ook geen kiekendief, iets wat heel even de rillingen over mijn rug joeg (in de loop van de week werd op verschillende plaatsen in Nederland een steppearend gemeld) maar wat uiteindelijk een rode wouw bleek. Een kraai was niet gediend van dit blitzbezoek en ging vol in de clinch met de veel grotere roofvogel. En het was dié die de aftocht blies.

Terwijl we aan de lunch zaten, waren we getuige van een drama. Dhr. en mevr. Merel hebben al veel energie gestoken in een tweede legsel, nadat ze hun eerste jongen eindelijk aan het verstand gebreid hebben dat ze beter niet in onze veranda kunnen gaan zitten. Van deze tweede editie waren er blijkbaar al eieren uitgekomen. Dat wisten de kauwen uit de buurt beter dan wij. Met z’n tweetjes kwamen ze “gezellig” buurten. De éne leidde pa Merel af, en intussen kon zijn compagnon zijn slag slaan. Op het schuurtje van buurman werd de buit goed vastgepakt en meteen naar “huis” gevlogen. Ook jonge kauwen moeten eten …

Na de middag moesten nog een paar boodschappen gedaan worden. Op weg naar huis passeerden we Luntershoek waar ik andermaal de rode wouw meende te zien. Verder weg, maar onmiskenbaar dezelfde zweefvlucht. Deze keer géén aanval van een kraai. Maar deze keer ook een te grote afstand om zeker te zijn en dus werd dit niet ingevoerd op waarnemingen.

Nadat wij het avondeten verorberd hadden, was het de beurt aan de tuin om gesoigneerd te worden. Ik stond net met mijn rug naar de vijver om een hangkorf te gieten, toen Manlief bijna ademloos “sperwer, sperwer” stotterde. Ik vond de afgelopen dagen al dat er opeens zoveel kleine witte pluimpjes op het water dreven. Blijkbaar heeft deze supersonische jager ontdekt dat hier voor zijn jongen wat te halen valt. Hij was in scheervlucht tussen ons huis en het tuinhuis over het hek gevlogen, duikend naar de vijver waar op dat moment nét geen vogeltjes zaten, opzwiepend langs de feeder waar iedereen al in volle paniek weggespat was. Heel even ging hij op de haag zitten, maar toen kreeg hij ons in de gaten en koos eieren voor zijn geld. Zéker op te volgen de komende dagen!