Vreemde vogels …

… en hoge nood.

Wij hebben uiteraard feeders in de tuin en in perioden zoals de afgelopen week wordt er nog gestrooid ook, voor de grondeters: zaden, stukken appel en meelwormen. Geen overbodige luxe, want de nood is hoog in pluimenland.

We hebben dan ook dagelijks een hele horde gasten aan de dis. Vertrouwde soorten, die het hele jaar door aanschuiven, maar ook trekkers die we enkel in de winter zien. Maar in de afgelopen week kregen we ook een paar extra bezoekers, die raar of zelden de tuinen frequenteren. Daarvoor moet het echt armoe troef zijn.

Zo zat er gisteren opeens een witte kwikstaart tussen de vinken op de grond. Supernerveus en lang hield hij het niet vol, maar toch net lang genoeg om zijn buikje eens rond te eten. In de loop van de week hadden we een kauw in de tuin. Die had het op de appels voorzien. En vanmorgen kwam er zelfs een kokmeeuw mee-eten.

Dat betekent dat het echt tijd wordt dat de dooi intreedt, want dat het miserie met watersaus is. Het zou me niets verwonderen dat in de volgende uren nog eens een sperwer zijn kans waagt. Er is er hier een in de buurt gespot in de afgelopen dagen …

Taak volbracht …

Het winterse maandelijkse “werk” is weer volbracht: we telden 4115 brandganzen, 123 grauwe ganzen, 40 Grote Canadese ganzen, 351 kolganzen, 530 toendarietganzen, 10 Nijlganzen en 21 knobbelzwanen, verspreid over 5 van de 7 telgebieden die ons toegewezen zijn. Hulst hebben we niet geteld wegens te druk en Paal is voor ganzen zelden een echte telpost.

Ook gezien, maar niet in onze opdracht voor Sovon (die staan al wel op waarnemingen.nl) : 3 watersnippen (maar ik sluit niet uit dat het er in werkelijkheid maar 2 zijn, want 2 waarnemingen waren nogal dicht bij elkaar in hetzelfde gebied), een koppeltje middelste zaagbekken (boterbuiken) en 9 patrijzen, naast verschillende “wolken” klein grut, waarvan niet altijd zo eenvoudig te zeggen is wat het is.

Het was een goed gevulde teldag!

T.a.v. de Vlinderstichting …

Beste,

momenteel zit onze tuin vol koolwitjes en atalanta’s. Soms met 10-15 per soort tegelijk. Superblij mee.

Maar gisteren en vandaag viel ons van de atalanta’s dit gedrag op:

Wat is daar de betekenis van? Is dat een vlinder die dringend op zoek is naar een maatje om te paren? Is dit een signaal naar overvliegende soortgenoten dat er nog veel voorraad te vinden is (een beetje zoals bijen doen)? Of zijn die beesten gewoon stomdronken van het nectar zuigen? Bij hommels heb ik ook al eens vergelijkbaar gedrag gezien. Al is me achteraf verteld dat dat eerder het omgekeerde was: hoge nood aan nectar.

Mvg,
Wordt (hopelijk) vervolgd …

 

Op é.o.a. manier kan ik geen afbeelding in een reactie plaatsen, dus in antwoord op de analyse van doctorandus T.J. Pannenkoek, hier een foto van de (vorige week geplaatste) drinkschaal voor bijen en vlinders:

bijendrinkschaal

De knikkers en keitjes zorgen ervoor dat hun pootjes niet te nat worden. De grote glazen “eieren” had ik nog liggen en ik vind dat ze er vrolijk bij kleuren.

Of we …

… het zien zitten om ook een paar zomer-ganzentellingen te doen? Vroegen ze van Sovon. Het hoeft niet per sé in de wintertelgebieden die ons toegewezen zijn. Gewoon op waarnemingen.nl  invullen welke ganzen en hoeveel we waar gezien hebben als we er op uit trekken. En zeker ook een keer tellen op 18 juli.

Voor ons is dat een even goede reden als een andere om de kijkers en het fotomateriaal in de auto te laden en naar Luntershoek en de Putting te trekken. Vooral omdat we voor onszelf ook al een paar jaar proberen te volgen hoeveel en welke standganzen er in de streek blijven.

Bij het begin van het Groot Eiland hadden we gelijk prijs: wel 150 grauwtjes, ca. 20 “nonnetjes” (brandganzen) en ruim 30 van die (volgens mij aartslelijke) nijlganzen. We waren dus al niet voor niets op pad gegaan. Maar voor wat ganzen betrof, was dat dan ook alles. Bij de Putting, waar er anders altijd zitten, lag zelfs geen ganzenveer meer.

Maar wij laten ons niet zo gauw ontmoedigen. Er bestaat nog wel ander natuurschoon dan enkel ganzen. Tegen een “snelheid” van pakweg 10 km/u gemiddeld reden we door het Zeeuwse landschap, speurend en luisterend (nogal friskes met het raam open, maar dat moet je er dan bij nemen).

Grasmus
Een grasmus zat vrank en vrij zijn gedacht te zeggen in een bottelstruik langs de kant van de weg.

Blauwe reiger
Elke keer als we dit grasland passeren staat er een (deze?) reiger op datzelfde plaatske. ’t Is dat hij af en toe beweegt of zich verzet, want anders zou ik gaan geloven dat het een opgezette is.

BBC_0159 (2)
Pa roodborsttapuit kijkt of de kust veilig is.

Vrouwtje roodborsttapuit
Ma roodborsttapuit lijkt het niet helemaal te vertrouwen.

Roodborsttapuit, pas uitgevlogen jong
Maar de kleine is niet te stuiten: hij heeft lang genoeg in dat te kleine nest gezeten. “Ik vertrek!”

Akkerdistel
Distels: door iedereen verguisd, maar een wereld op zich. Kevertjes, bijen, vliegen, hommels, vlinders en zelfs vogels zoals de putter (of distelvink, dat zegt het vanzelf) vinden er hun gading.

BBC_0331 (2)
Een bruine vlek tussen het groen krijgt opeens meer vorm.

BBC_0358 (2)
Een bezorgde blik opzij …

BBC_0359 (2)
… en daar beweegt nóg iets.

BBC_0370 (2)
“Kom kleine, want ik vertrouw het toch niet helemaal”

(Roodwang?)schildpad
Bijna aan het oude sas ligt een overjaars kerstcadeau te zonnebaden. Op het eerste moment vroeg ik me af welke eend er op die tak zat. Kwestie dat je een idee van de grootte hebt.

BBC_9944 (2)
De grasmussen zijn goed gelukt dit jaar.

BBC_9948 (2)
En je kan ze geen overdreven schuwheid verwijten.

BBC_9968 (2)
3, 2, 1, …

BBC_9969 (2)
Lift off! We got a lift off!

BBC_9971 (2)
Een torenvalk hangt in opperste concentratie boven het grasveld.

BBC_9973 (2)
Zag ik daar nu een dikke kever?

BBC_9978 (2)
Nog even mikken en dan in duikvlucht …

 

 

Dagje natuur …

Dit weekend was voor ons het laatste Sovon-telweekend van dit seizoen. Omdat we eigenlijk – op een paar soepganzen na – niets of toch weinig verwachtten, besloten we gewoon alles te noteren wat we tegenkwamen. Alleen de ganzen, zwanen, wulpen (0) en kievitten (1) worden gemeld aan Sovon. De rest is voor waarnemingen.nl. En voor onszelf. Want aan de beestjes leer je je streek kennen.

Jammer genoeg geen foto’s, maar de volgende dagen gaan we met de camera’s op pad i.p.v. potlood en registreerkaarten. Intussen probeer ik é.e.a. te illustreren met bijpassende links.

Buitenbeentje nummer 1 was een Engelse kwikstaart. Manlief dacht eerst aan een citroenkwikstaart, maar bij nader inzien houden we het op eerstgenoemde, wegens een stuk waarschijnlijker dat we die  hier gaan tegenkomen. Je moet niet té excentriek willen zijn.

Zoals verwacht waren er weinig ganzen, maar toch heb ik er nog wel een aantal kunnen noteren. Nog 4 soorten zelfs: grauwe gans, Egyptische of Nijlgans (een exoot, maar tegenwoordig op sommige plaatsen een echte plaag en bovendien behoorlijk agressief),  grote Canadese gans, en zelfs nog een brandgans (een nonnetje, zoals ze ook genoemd worden en als je de afbeelding bekijkt, snap je wel waarom).

Vlakbij de Vlaamse Kreek keek ik even omhoog en wat ik zag was zéker geen buizerd, ook geen kiekendief, iets wat heel even de rillingen over mijn rug joeg (in de loop van de week werd op verschillende plaatsen in Nederland een steppearend gemeld) maar wat uiteindelijk een rode wouw bleek. Een kraai was niet gediend van dit blitzbezoek en ging vol in de clinch met de veel grotere roofvogel. En het was dié die de aftocht blies.

Terwijl we aan de lunch zaten, waren we getuige van een drama. Dhr. en mevr. Merel hebben al veel energie gestoken in een tweede legsel, nadat ze hun eerste jongen eindelijk aan het verstand gebreid hebben dat ze beter niet in onze veranda kunnen gaan zitten. Van deze tweede editie waren er blijkbaar al eieren uitgekomen. Dat wisten de kauwen uit de buurt beter dan wij. Met z’n tweetjes kwamen ze “gezellig” buurten. De éne leidde pa Merel af, en intussen kon zijn compagnon zijn slag slaan. Op het schuurtje van buurman werd de buit goed vastgepakt en meteen naar “huis” gevlogen. Ook jonge kauwen moeten eten …

Na de middag moesten nog een paar boodschappen gedaan worden. Op weg naar huis passeerden we Luntershoek waar ik andermaal de rode wouw meende te zien. Verder weg, maar onmiskenbaar dezelfde zweefvlucht. Deze keer géén aanval van een kraai. Maar deze keer ook een te grote afstand om zeker te zijn en dus werd dit niet ingevoerd op waarnemingen.

Nadat wij het avondeten verorberd hadden, was het de beurt aan de tuin om gesoigneerd te worden. Ik stond net met mijn rug naar de vijver om een hangkorf te gieten, toen Manlief bijna ademloos “sperwer, sperwer” stotterde. Ik vond de afgelopen dagen al dat er opeens zoveel kleine witte pluimpjes op het water dreven. Blijkbaar heeft deze supersonische jager ontdekt dat hier voor zijn jongen wat te halen valt. Hij was in scheervlucht tussen ons huis en het tuinhuis over het hek gevlogen, duikend naar de vijver waar op dat moment nét geen vogeltjes zaten, opzwiepend langs de feeder waar iedereen al in volle paniek weggespat was. Heel even ging hij op de haag zitten, maar toen kreeg hij ons in de gaten en koos eieren voor zijn geld. Zéker op te volgen de komende dagen!

Vandaag in “de groten hof” …

Deze voormiddag hebben we een toerke gedaan in “onze groten hof”. Een ritje langs Luntershoek, met de camera in de aanslag.

Maar eerst moest Jeppe de beentjes strekken op de opspuiting aan Perkpolder. Gelukkig (nou ja) hing hij bij het oversteken van de zeedijk met zijn neus boven een hoop van een andere hond, anders stond ik daar waarschijnlijk nog te wachten.

Eerst stak een ree de straat over. Waarna ik mijn prijsbeest meteen aanlijnde om voor de hand liggende redenen. Ik hoopte hem weer los te kunnen laten voorbij de plaats waar het geurspoor van de ree ons pad kruiste, maar daar kreeg meneerke niet minder dan 6 hazen in het vizier. Dus nog maar een eindje verder tot we de vlakte op konden. Daar heeft hij mij toch nog een kwartier “aan het lijntje” gehouden omwille van nóg 2 hazen.

Uiteindelijk kreeg ik hem toch mee en konden Manlief en ik er eens op uit. En ook wij hadden redelijk wat prijs:

Een roodborsttapuit:

Een Cetti’s zanger (jammer dat hij net in dit segment wél duidelijk zichtbaar, maar zeer zwijgzaam is):

Een vrouwtje knobbelwaan op minstens 4, maar waarschijnlijk méér eieren, want ze stond efkes op om haar toilet te maken en toen kon ik indiscreet zijn:

Intussen maakte haar meneer van zijn gat tegen een paar ganzen die op kraamvisite kwamen. Waarschijnlijk niet op de 1,5m gelet:

Een rietzanger zat een jolig melodietje te krassen:

De corona op het werk …

Het bleef de afgelopen dagen nog steeds onzeker of “ons ” speldenkussen alleen aan een gedekte tafel kwam aanschuiven, of ook daadwerkelijk van de logeerarrangementen gebruik maakte. Alle twijfel is intussen opgeheven. De volgende beelden zijn voor ons de kroon op het werk:

 

Ik werd er helemaal blij van. Om dit heuglijke feit te vieren, spendeerde ik vanmorgen extra veel tijd aan de wandeling met Jeppe. Niet dat dat een straf was.

De veldleeuweriken gaven een spetterend concert, terwijl de graspiepers en gele kwikstaarten tussen het gras naar insectjes zochten voor hun ontbijt. Uiteraard zijn de volgende beelden vooral leuk als je ook het geluid aan hebt:

Kwebbels …

Vanmorgen neem ik Manlief’s ochtendbeurt over om met Jeppe naar Perkpolder te gaan wandelen. Morgen ben ik al vroeg op de baan. Dan komt het er niet van vóór de middag.

Het is er druk. Héél druk. En lawaaierig!

Een torenvalkje, een vaste begeleider sinds 3 jaar nu, hangt zijn schietgebedjes op te zeggen boven het grasland en later naast ons boven de dijkflank. Tot drie keer toe gooit hij zich vlakbij in het gras om een onzichtbaar vroeg insectje te verschalken. Even pikken en slikken en weer aan het werk!

Intussen is een veldleeuwerik hoog van zijn toren aan het blazen, zoals hij eigenlijk al een paar weken doet. Alsof stijgen nog niet adembenemend genoeg is, rrratelt hij onderwijl een rrritselend rrriedeltje waar de grootste zuurpruim vrolijk van wordt.

Het groepje graspiepers, dat hier al een winter lang rondhangt, vormt op de grond een iets bescheidener backgroundkoortje. De leeuwerik is gewoon niet te overstemmen!

In de sloot zie ik bijna uitsluitend mannetjes wilde eenden. Het vrouwvolk zit waarschijnlijk al op de kluts. De bergeenden zitten net te ver weg om de geslachten te kunnen onderscheiden. Ik tel er negen.

Wat er juist voor opschudding zorgt achteraan op de akker, ik zie het niet maar opeens gaan 16 wulpen verschrikt op de wieken. Hun melancholieke “wuuliép” vervliegt in de lentewind.
Met veel meer misbaar gaat ook een bende van ruim 30 scholeksters op de wieken. “Tepiét-tepiét-tepiét”
De kleine zilverreiger -hij zit hier onderhand een week of 3-4- kan het niet aan zijn hart komen. Hij heeft zijn volle aandacht bij de plassen die op de akkers staan. Ondanks al dat slijk schittert hij witter-dan-wit in de voorjaarszon.

En het eerste kievietsei … Dat ligt ergens in Gelderland. Bruchem is het kraamadres, geloof ik …

Een niet te missen kans …

Twee maand geleden ( op 28/9 om precies te zijn) plaatste ik deze tekst op mijn blog. Op één of andere manier vond ik hem niet meer terug. En nu zie ik hem opeens als pagina staan, wat niet de bedoeling is. Ik gooi hem dus – in uitgesteld relais, zoals dat dan noemt – alsnog op zijn juiste plaatsje:

Soms is er die éne kans. Aangrijpen en slagen kan honderden deuren openen, ook voor anderen. Een misser kan even zoveel deuren op slot gooien voor lange tijd. Een grote verantwoordelijkheid, vooral als tijd net dàtgene is wat schaarser wordt met de dag.

Waterdunen krijgt zo’n kans. Een project waarover ook Matroos Beek al menig woordje plaatste. Vandaag kreeg het publiek een eerste gelegenheid om even om het hoekje naar binnen te gluren. Die gelegenheid wilden we niet aan onze neus voorbij laten gaan. Helaas – maar naar later bleek, gelukkig – besloot Manlief op het laatste moment om toch maar in de veilige omgeving van de badkamer te blijven wegens, nou ja, regelmatig behoefte aan de nabijheid van een badkamer. Hij zou vooral de verloren kilometers niet verteerd hebben.

Ik dus alleen naar Breskens. Op de aankondiging had ik gelezen waar ik de auto kwijt kon op een betalende parking en dat het dan slechts een minuutje of tien stappen was naar de plaats van het gebeuren. Ik liet mijn bakje achter op de parking, voorzien van een ticket dat om precies 11:14 was afgedrukt. Dat zou moeten betekenen dat ik nog net op tijd zou zijn voor de wandeling van 11:30.

Zou. Want nergens was enige aanduiding te vinden van langs waar men zich te voet naar de start moest bewegen. Ik gokte dan maar dat de zeedijk de beste keuze moest zijn, vanwege zeker van de richting en hoge uitkijk over de omgeving. Maar na zo’n twintig minuten was er nog geen spoor van de opendeurdag te vinden. In die tijd hadden mij al vier zoekenden gevraagd waar ze wezen moesten. Ik drukte hen op het hart zeker niet in mijn voetsporen te treden, wegens ook totaal verloren. Tot ik een groep van de fietstochten zag, nog net op tijd bij hen kon komen vóór ze er weer – gejaagd door een stevige wind – vandoor gingen. Jammer genoeg had ik het rechte pad verlaten om raad te vragen en moest ik nu eerst een eind terug om weer naar boven op de dijk te kunnen klauteren.

(Ik verwed er iets moois om dat Matroos intussen onder tafel ligt van het lachen). Net toen ik overwoog om op mijn stappen terug te keren en dichter bij huis naar nog wat natuur te gaan kijken, kreeg ik de “feest”tent in het zicht. Bij het binnenkomen was het 12:05, de file bij de koffiekraam was immens lang, de tijd tot de volgende wandeling te kort en enige andere vorm van bevoorrading – op een paar kratten appels na – onbestaande. Tegen beter weten in grabbelde ik dus maar een appel mee om mijn suikerspiegel weer enigszins op peil te krijgen. Net toen ik het klokhuis in de afvalbak kieperde, riep de gids haar volgers bijeen en vertrokken we. Prompt trok de zon zich terug achter de wolken en begon het flink te regenen. We zouden de zon pas terug zien bij aankomst. Vandaar: geen foto’s, want ik had mijn fototas inmiddels ingepakt in zijn eigenste regenjasje.

Het hele gebeuren was in zekere zin een teleurstelling. Voor wie zich interesseert in de technische kant van de hele installatie was er wel de kans om in het bedieningsgebouw een uitleg te krijgen. Wie voor de natuur gekomen was – en over enige voorkennis beschikte – viel vooral op dat we nog helemaal niet in het natuurgebied binnen konden, wegens nog geen wandelpaden. Dat is iets voor – als alles meezit – medio 2020. Waarom er dan nu al werd uitgepakt? Waarschijnlijk om de Waterschap, de provincie en camping Molekaten te plezieren. Die zullen omwille van geheel eigen redenen geen geduld meer gehad hebben.

Feit is, dat de natuurwandeling plaats vond in het gebied dat binnen afzienbare tijd geen natuurgebied meer zal zijn, maar een camping.

Feit is, dat er desgevraagd vooral de nadruk op gelegd werd dat recreatie en natuurbescherming perfect hand in hand kunnen gaan. Waarbij ik me dan bedacht dat het toch wel zo veilig zou zijn om geen directe toegang tussen camping en natuurgebied te maken. Anders zal er van rust voor de natuur niet veel in huis komen.

Feit is, dat het in de omgeving apedruk was, ook al was verre van iedereen gekomen om naar het nieuwe natuurwonder te kijken. Ik kan me heel goed de zorgen van de omwonenden inbeelden, want zelfs nù – buiten het toeristische seizoen – is de recreatiedruk erg groot.

Feit is, dat ik met een dubbel gevoel naar huis terugkeerde. Vooral het gevoel dat de natuurbeweging zich had laten gebruiken voor een promotiestunt, om vooral veel wierook te wuiven over de schaal (“misschien wel de grootste ter wereld”) waarop men dit zoutwatergetijdengebied had ontwikkeld, om vooral te benadrukken dat de camping ook al vooraf aanwezig was, dat het landschap toch moest worden aangepast wegens zwakke plekken in de dijken, … Ik heb geen enkele kritische vraag horen beantwoorden met een kritische noot. ” ’t Was al glorie in een kanneke”.

Feit is, dat ik eindelijk, om 15:45, als een mank paard bij de auto gestrompeld kwam en naar huis reed om mijn pijnlijke benen en voeten in een warm bad te laten recupereren. En dat ik morgen vast en zeker nog niet teveel stappen ga zetten. Overmorgen misschien zelfs nog niet, tenzij het weer echt aanlokkelijk is.

Ik hoop uit de grond van mijn hart dat Waterdunen de kans grijpt om al die kritische noten te kraken, te bewijzen dat toerisme en natuur elkaar niet per definitie in de weg moeten zitten en dat de commercie het leven in en om het gebied niet de keel dicht knijpt. Ik hoop ook dat wij de volgende jaren getuige zullen kunnen zijn van de ontwikkeling van een heel interessant gebied, dat zich geleidelijk of niet zo geleidelijk gaat ontwikkelen tot een uniek biotoop op de grens van zoet en zout. Kortom: een natuurlijk Grensland.