Grote trek, lekkere trek, vogeltrek, …

Een paar weken geleden werd ons al gemeld dat we dezer dagen een toevloed aan mezen uit het noorden mochten verwachten. Maar ook anderen die aangewezen zijn op eikels, beukennoten e.d. hebben noodgedwongen hun donzen koffers gepakt en de snavel zuidwaards gekeerd.

Vandaag ontving ik een tweet met de melding dat de stad York een nieuwe invasie van Vikingen ondergaat. Deze keer niet van de soort met blonde hangsnorren en helmen met hoorns, maar pestvogels. En daar zijn de omwallingen van deze Britse stad niet tegen opgewassen.

In het voorjaar stelden we op Texel vast dat er veel rosse grutto’s waren in winterkleed. En dat in volle paarseizoen! Navraag leerde ons dat het exemplaren zijn die  onvoldoende op krachten waren om de grote trek terug naar het noorden af te ronden en die dan maar bij onze noorderburen bleven.  Ze steken zelfs geen energie in het verruien naar hun prachtkleed. Eens een jaartje van het vrijgezelle leven genieten en geen gezinnetje stichten, geen broedzorg, geen bedelende jongen langs je poten…

Het deed me denken aan volgende tekst die ik een paar jaar geleden distilleerde uit “De grote trek”, red. Dr. Robin Baker en Midas Dekkers, ISBN 90-328-0281-X. Wie alles –of toch heel veel- over deze volksverhuizingen in de dierenwereld wil te weten komen, moet beslist het hele boek eens lezen.

 

Er is een klein, onooglijk, nietig zangvogeltje bij ons, de fitis. Die vliegt elk jaar zo’n 8.000km weg van onze koude, natte winter. In mensentermen omgerekend is dat niet minder dan tien keer over en weer van de aarde naar de maan!

Alle palingen van Europa en Noord-Amerika zijn afkomstig uit een onnoemlijk beperkt lekker warm stukje  Atlantische Oceaan.

Eén van onze mooiste vlinders, de Atalanta of Nummervlinder, legt jaarlijks duizenden km af om zijn voordeel te doen met het weer. Het is hem ook aan te zien: de oudere exemplaren zien er bepaald uitgerafeld uit. Hun vleugels zijn versleten tot op de draad. Vogels ruien en krijgen nieuwe veren. Insecten hebben niet zoveel geluk.

Wat bezielt dieren om jaar na jaar dit soort heroïsche inspanningen te leveren? Is het niet veel eenvoudiger om je aan te passen aan lokale omstandigheden of jezelf in te graven /kapselen tot de omstandigheden weer gunstig zijn?

Voor zover we weten, is Aristoteles de eerste die in zijn Historia animalium serieuze gedachten koppelt aan de waarneming dat sommige dieren opeens spoorloos verdwijnen om een aantal maanden later weer uit het niets op te duiken.

Bij het woord “vogeltrek” denkt iedereen uiteraard onmiddellijk aan de zwaluw. Ingewijden houden vooral de exploten van de noordse stern in gedachten. Maar niet alle soorten zijn even regelmatig en rechtlijnig in hun trekgedrag. Sommigen leggen elk jaar opnieuw getrouw hun vaste parcours af. Anderen laten hun timing en route afhangen van … Ja, waarvan? Weersverwachting? Voedselvoorziening? Paargedrag? Goed geluk? Over reden, aanleiding en navigatiemiddelen zijn de vorsers het nog lang niet eens. Maar misschien is dat vleugje mysterie nog wel de grootste charme van dit migratiegebeuren. Trouwens … We hebben hier nog een diersoort vergeten te noemen. Heeft de mens niet ook  sinds zijn ontstaan rondgezworven over onze blauwe planeet? En zijn zijn drijfveren ook niet even verscheiden als talrijk geweest?

Wat de beweegreden (in de meest strikte zin van het woord) is voor watervogels, laat zich makkelijk raden. Zij zijn voor hun overleving sterk aangewezen op open (zoet) water. Zelfs als zij, zoals vele ganzensoorten, grazen om aan de kost te komen. Op één of andere manier speelt een vrij wateroppervlak een cruciale rol in hun bestaan (drijfnesten, toevlucht bij gevaar, voedsel- en /of drankvoorraad). Een strenge winter met dichtvriezende vijvers en plassen is dan ook een nachtmerrie voor hen.

 Anderen, zoals vele zangvogels (denk maar aan de koekoek – nou ja, zangvogel!?!) zijn zó gespecialiseerd op één soort voedsel, dat hen geen andere keuze blijft, dan hun maaltje te volgen over deze aardkluit.

 De meeste trekkers verzamelen zich in grote(re) groepen. Dit heeft  meerdere redenen. Tijdens het vliegen kunnen ze elkaar aflossen aan de kop van de groep (al eens een waaierpeloton in de Ronde van Frankrijk bezig gezien?). Ieder doet zijn ding aan de kop en gaat zich dan een tijdje in de “slipstream” van de voorganger laten meedrijven. De ervaren dieren bepalen de te volgen route. Zij weten nagenoeg feilloos de meest geschikte tussenstops te vinden en hun volgelingen uiteindelijk veilig en wel op de eindbestemming te brengen.

 Maar aantal staat ook gelijk aan bescherming. Een roofdier kan makkelijker een eenzaat aan dan een hele bende. Kijk maar eens naar zo’n opvliegende groep ganzen of eenden. Als je daar een slachtoffer uit wil halen, moet je kunnen kiezen. Geen sinecure als er een paar honderd (duizend) voor je ogen dansen.

 Ook over de manier waarop trekkers zich oriënteren is men nog lang niet tot eenstemmigheid gekomen. De wetenschap vertrok van aangeleerd gedrag, schakelde toen over op richting en kleur van het licht, en “trok” via temperatuur naar magnetische velden. Men is er nog altijd niet uit. Waarschijnlijk zijn de methoden even talrijk als de soorten trekkers.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s