Ringeding ding …

Voor de laatste keer, dit jaar, op pad met de vogelringers van het Zeeuwse Landschap:

Ringeding ding …

Vogelringen.  Waarvoor, in godsnaam? Wat is er de charme van om als grote mens, met – hopelijk verhoudingsgewijs – grote handen, aan zo’n klein, fijn, nietig bolletje pluimen te zitten friemelen om zo’n onnozel ringetje rond dat luciferpootje te krijgen? Je zou eens moeten weten hoeveel lettertjes en cijfertjes er staan op een ringetje dat je amper kan zien, laat staan vasthouden! Die moet je dan nog kunnen aflezen ook, om in te voeren in de bestanden van het Vogeltrekstation dat alle gegevens bijhoudt.

Ringeding dingetjes

Een hele rits ringetjes van de kleinste maat (2,2mm, dat is de diameter van zo’n prutsje).

Met deze ring _

“Met deze ring …”

Vandaag was de laatste Open Vogelringdag en vorige keer had ik al afgesproken dat ik er weer bij kon zijn. Tien jaar jonger, en ik zou het nog aandurven om me er ook in te verdiepen en de opleiding te volgen. Maar mijn ooit bijna legendarische vaste hand trilt intussen om zeeziek van te worden en mijn scherpe zicht wordt tegenwoordig gedecimeerd door aftakeling en spaarzame traanklieren, waardoor ik na wat geconcentreerd turen in de mist zit. Maar het volstaat ruimschoots om op andermans handen te kijken en weetjes op te slaan.

Het -oogsten- van de vangst

Het binnenhalen van de eerste “oogst” van de dag.

Knopen en nog eens knopen

Als één gek méér vragen kan stellen dan 100 geleerden kunnen beantwoorden, dan kan één kleine karrekiet méér knopen leggen dan 3 ringers en één toeschouwer kunnen losmaken. Geduld, de grootste deugd bij dit werk. 

De oogst (of de buit, zoals je wil)

Ze zijn “in ’t zak gezet”.

Wat is eigenlijk de bedoeling van het ringen van vogels? De meest voor de hand liggende reden is uiteraard om – aan de hand van terugmeldingen e.d. – te achterhalen hoe het de diertjes vergaat. Hoe ver ze doorvliegen, wanneer ze terugkomen, hoe ze het maken, … De stand van zaken per soort, zeg maar. Gaat het goed met bv. de rietzanger? Daalt het bestand tot kritische diepten of wordt er weer vooruitgang geboekt? Waar trekken onze lepelaars naartoe in de winter? Komt die scholekster, die hier vorig jaar geringd werd, dit jaar terug naar dezelfde plek om er eieren te leggen en jongen groot te brengen? Veel van die dingen kan je natuurlijk ook afleiden uit het aantal waarnemingen, dus daarvoor hoef je nog niet bij nacht en ontij vogels in de netten te vangen. Maar voor het volgen van bepaalde individuen, gedragingen en gewoonten kan het niet anders. En als je bijvoorbeeld als natuurvereniging een stuk landschap wil beheren, dan moet je wel weten hoe je moet sturen.

Schorrengebieden worden schaarser en kleiner, mede door inpoldering, dijkverstevigingen en uitdiepen van waterlopen i.f.v. scheepvaart en zo. Maar schorrengebieden zijn héél belangrijk voor veel vogelsoorten. Het zijn overgangsgebieden tussen water en land. Schemerzones, die van alles een beetje hebben. Als ze ook nog in de andere richting op de grens liggen, tussen zoet en zout water, worden ze dubbel interessant. Dan is daar echt voor elk van de vogelsoorten wat wils. Een super-supermarkt, met volle schappen met wormpjes, schelpjes en ander gescharrel. En op de koppen die niet vaak onderwater komen, groeien planten die zo af en toe wel eens natte voeten kunnen verdragen en die er niet om malen dat dat water een beetje zoutig smaakt. Ze zijn er op voorzien, weten hoe ze ermee om moeten gaan. Héél speciale flora, die dan weer de belangstelling krijgt van héél speciale insecten. Die tot het rantsoen van héél bijzondere vogelsoorten behoren, bijvoorbeeld. Zó hangt dat allemaal samen.

Maar als je die schorren maar laat betijen, dan verruigen ze mettertijd. Het begint met riet en als je lang genoeg besluiteloos toekijkt, staan er voor je het weet bomen en struiken in. En dan heb je weer een heel ander landschap. Schorren wég, rietvelden in de plaats. Die hebben ook hun eigen nut voor de (avi)fauna, als nest- en rustplaats, maar die vind je al wel dieper in de polder, dus moet je daarvoor schorren opofferen? Hoe kan je het best beheren? Maaien en plaggen, of grazers inschakelen? Wélke grazers?

Door het ringen en tellen van vogels kan je meten wat het effect is van landschapsverandering en beheer op de diverse vogelbestanden. En meten is weten. Welke soorten zaten hier vroeger? Welke soorten zijn er in de plaats gekomen na bepaalde beheersmaatregelen (niets doen is óók een beheersmaatregel!)?

De klimaatverandering brengt zo haar eigen vraagstukken mee. Van sommige soorten die normaal diep naar het zuiden trekken, heeft men intussen gemerkt dat ze al best tevreden zijn met een winters verblijf in het zuiden van Europa. En typisch zuiderse soorten hebben nu voorposten in onze contreien. Het zijn voorlopers, pioniers en zoals dat met die durfals wel vaker gebeurt, loopt het niet altijd goed af. Een strenge winter en ze leggen het loodje. Onvoldoende aangepast voedsel of onvoldoende aangepast aan het voorradige voedsel en ze kwijnen weg.
Er hangt dus veel meer vast aan zo’n ringetje dan je zou vermoeden.

Uiteraard zijn de methoden aangepast aan soort en grootte. Als je pakweg een buizerd wil ringen, zet je geen bijna onzichtbaar fijn net op. Veel vogels – ook wadlopers bijvoorbeeld- worden op het nest geringd. Wanneer de jongen groot genoeg zijn om hen een ring aan te meten die voor de rest van hun leven kan blijven zitten zonder dat het hen een poot kost, worden ze van het nest gehaald en nadien zo snel mogelijk weer terug gezet. Alles dient te gebeuren zonder de oudervogels zodanig te verstoren dat ze het nest in de steek laten.

Wat wordt er genoteerd van een geringde vogel? Uiteraard tijdstip en plaats van het ringen, het ringnummer en de soort. Is het een jonge vogel (1e kalenderjaar) of een ouder exemplaar? De vleugellengte, het gewicht, het geslacht, en eventuele andere relevante kenmerken. Er wordt ook gekeken of een (trek)vogel voldoende opgevet is. Dat zegt uiteraard iets over zijn kansen voor die enorme inspanning, maar ook over de omstandigheden van het achterliggende seizoen en vaak ook – bij jonge vogels – of hij uit een laat legsel komt.

Indeling volgens vetreserves

Voor het meten van de vetreserves wordt een nogal indiscrete methode gebruikt: de ringer blaast de buikveertjes uiteen om de “speklaag” te kunnen beoordelen.

Enkele van onze fotomodellen van de dag:

Ze laten wel weten wat ze ervan vinden

Een kleine karrekiet steekt het niet onder stoelen of banken wat hij ervan vindt. Hij krijst de hele buurt op een kluitje.

Rietgors

Een rietgorsje probeert fotogeniek te zijn (en slaagt daar heel goed in). 

Het Boze Oog

Het “Boze Oog” van de fitis.

Hoog kerstkaartgehalte, maar _

Pimpelmezen mogen dan een hoog kerstkaartgehalte hebben, ze zijn niet echt de favoriete vogel van de ringers. Ze hebben een pittig karaktertje en zijn erg vasthoudend. In elke betekenis van het woord. 

Nu heeft dat ringen maar hooguit half zoveel zin zonder terugmeldingen. Dus: als je een geringde vogel ziet en je kan zijn ring aflezen (zonder hem te verstoren!), of je vindt een geringd exemplaar dood in tuin, wegkant of waar ook, of zelfs enkel maar een ring: geef die informatie door via  https://vogeltrekstation.nl/nl/vogels/ring-gevonden . Als beloning ontvang je een email met daarin alle informatie die ze over het betrokken dier hebben. Ik heb het zelf een paar jaar geleden ook gedaan. We woonden toen nog in België, dus het werd een internationaal event. Het vervolgverhaal van die melding staat hier: https://affodilennidk.wordpress.com/2013/03/25/aan-het-eind-van-een-hectische-dag/ ,  https://affodilennidk.wordpress.com/2013/03/26/het-verhaal-gaat-verder/  en                 https://affodilennidk.wordpress.com/2013/04/28/het-doopceel-van-onze-ooievaar-gelicht/

Het loont trouwens de moeite om eens grondig te gaan snuisteren op de hele site: https://vogeltrekstation.nl/ .

Advertenties

Het fatsoen vér voorbij …

Zoveel mensenlevens op hun geweten (en de reeks is nog niet ten einde), er zo goedkoop vanaf gekomen bij het proces (belachelijk lage boetes) en dan zijn ze nog zo arrogant om in beroep te gaan. Het fatsoen ver voorbij …

 

De zoveelste slag in het gezicht van alle slachtoffers en hun nabestaanden.

Open Vogelringdag …

Maar dan moet je wel op tijd je bed uit en op de afspraak zijn bij de vogelringpost. Dat vroeg opstaan is bij mij al geen punt, want de dagen dat ik pas nà 6u uit bed ben zijn verwaarloosbaar. De haan die mij te grazen neemt, leer ik eieren leggen.

“Open Vogelringdag”, ’t is weer eens wat anders dan “Open Monumentendag” of “Open Bedrijvendag”.

Ik vind de rendez-vousplaats vlotjes en weet uit een mailtje van gisteravond hoe ik het terrein op kan en dat ik mag doorlopen tot bij de plek waar het allemaal te doen is.
Jos, Koos en Wilbert wachten mij op. Er is al een eerste keer “geoogst” en een stel wriemelende zakjes hangt intrigerend aan de haakjes van de hangardeur te wachten. Voor de ingewijden verraadt de kleur van de stof al  iets over de inhoud maar leek zijnde, kom ik niet verder dan “vogel”. Vooral over dat éne rode zakje wordt heimelijk gedaan. Daarin zit volgens de experts “een specialleke”.

Omdat collega Alex een uurtje later nog met een paar bezoekers komt,  wordt er niet te snel gewerkt, want anders hebben die niks meer te zien. Maar er kan ook niet onbeperkt getalmd worden, want dat is voor de bewoners van de zakjes niet zo goed. Er moet vooral voor gezorgd worden dat de gevangen vogels niet in de volle zon hangen.

Na een uur worden de netten nog eens gecontroleerd en wij mogen mee. Er valt niks te halen. Jos legt uit dat dit een beetje een overgangsperiode is. De nachttrekkers zijn bijna allemaal weg en als de vogel gevlogen is, kan je hem niet meer vangen. De dagtrekkers zijn nog even aan het opvetten om zo rond begin oktober hun biezen te pakken.

De witte zakjes moeten er het eerst aan geloven vanwege de stressgevoeligheid van de inhoud. Daarin worden de kleine karrekieten bewaard. Ik krijg meteen uitleg over de techniek van het ringen, het meten, wegen,  identificeren, de fijne kneepjes om sterk gelijkende soorten van elkaar te onderscheiden, … Intussen werkt stagiair Wilbert de procedure van zijn eerste gast af.

kleine karrekiet

Zakje nummer 2 (ook een wit, dus daar verwachten de ringers ook een kleine karrekiet in) zorgt voor een extra “specialleke”: een snor, verraden door zijn vleeskleurige pootjes. Ook de vorm van de staart – een mooi bruin waaiertje – is één van zijn handelsmerken.

snor
Twee zakjes, twee soorten. En er hangen nog 3 verschillende soorten zakjes, waaronder dat mysterieuze rode ding.

De hand van de stagiair-ringer gaat naar een volgend groepje: de rietzangers. En intussen krijg ik voortdurend leuke inside-weetjes over hoe je bijvoorbeeld bij bepaalde soorten kan weten of het een “1ste KJ” is. Dat is beroepsjargon voor 1ste kalenderjaar. Ringers willen nog wel eens van een vogel verlangen dat hij het achterste van zijn tong laat zien. Want jonge (1stejaars, dus) verraden zich dan met een tongmerk (2 zwarte puntjes achteraan op de tong). Geen onbetwist kenmerk voor sommige soorten, maar vaak genoeg een indicatie. Als het beestje openheid van zaken wil geven, natuurlijk.
Een ander mogelijk kenmerk van een 1steKJ: de lichte zoom aan de vleugel.

lichte zoom aan vleugel

lichte zoom aan vleugel (bis)

Nog een andere ringersterm is de “notch“. Omdat het zich moeilijk laat uitleggen en er toch een tekeningetje voorhanden is, maak ik daar een foto van. Kwestie van mijn geheugen een steuntje te geven. Die “notch” kan bijvoorbeeld vertellen of het ringetje om de poot van een grote karrekiet, dan wel van een bosrietzanger zit. Het zit ‘m in de kleinste details. Vandaar dat je als vogelwatcher vaak blij bent dat je er nog wat geluid bij krijgt. Maar dat is iets waar ringers niet op kunnen rekenen, want een vogel in een zakje heeft maar zelden zin om een recital te geven.

notch (1)

notch (2)

De blauwe zakjes zijn aan de beurt. In een gebied waar blauwborsten zich graag ophouden, is het nogal wiedes dat die stofjes voor hen gereserveerd zijn. De eerste die weer het daglicht ziet, is een mannetje. Dat wordt duidelijk als zijn oranjebruine ring over de borst zichtbaar is.

blauwborst

blauwborst bis

En dan is het eindelijk tijd voor de apotheose: de geheimzinnige rode zak. Veel gespartel, een grote ringershand die in eerste instantie de identiteit van het beestje verhult. En dan (tromgeroffel): een cetti’s zanger. Net als de voorgaande vogels behept met een naaldfijn snaveltje. Een bruin kopje, een grauwig lijfje, … Voor een niet-kenner ziet hij er – eerlijk gezegd – net hetzelfde uit als de rest (de blauwborsten niet te na gesproken). Maar in de handen van ringers (en onder hun deskundige toelichtingen) leren we toch weer wat bij. Ik was een paar jaar geleden al eens door zo’n onzichtbaar beestje beetgenomen in de Bazelse polder, maar nu kan ik die plaaggeest eindelijk in de kraaloogjes kijken.

cetti's zanger

Alex neemt ons nog even mee naar een konijnenhol, om ons te vertellen over een onvermoede bewoner van deze plaats. Omdat er aan de ingang geen begroeiïng is en het zand voldoende aanéén houdt om er ook piepkleine gaatjes in te maken, is dit een uitstekende plaats voor de schorzijdebij. Temeer daar ze hier haar waardplant bij de hand heeft (en die komt nu net volop in bloei): de zeeaster of zulte. Het is een bij met een geelros jakje en een duidelijk zwart/wit gestreept achterlijf. Net als we denken dat we nog te vroeg zijn, komt er toch eentje naar buiten.

En dan zit het er op voor vandaag. Een tweede oogst zit er niet in. De zon maakt de netten te goed zichtbaar voor de vogels, die er mooi overheen vliegen. Op het moment dat we er bij stonden, leek het even of er zwaluwen in de netten konden komen. Ze slapen in het riet en hun wekkertjes waren net afgegaan. Maar er laat zich geen enkele verschalken.

Met een hoop interessante weetjes in de rugzak en na een uitgebreid afscheid met veel bedankjes, krijg ik van Alex een lift tot bij het hek. Daar krijg ik nog een lang verhoopt, maar niet verwacht extraatje: een groepje baardmannetjes speelt in de toppen van het riet. Deze “Open” dag kan niet meer stuk.

baardmannetjes

Wat een heerlijke manier om een zaterdagvoormiddag door te brengen.
Hartelijk dank aan mijn gastheren en zeker tot een volgende gelegenheid!

 

Zeeland …

Zeeland

De grote “stouw” is er een beetje vanaf. We hoeven niet zonodig meer de hele dag achter onszelf aan te zitten om “eerst nog dít, dan nog dàt” in orde te maken. Zo af en toe moet een mens zichzelf eens tracteren op een dagje niksen of een dagje eropuit. Zondag was niksdag, gisteren pakten we de fotospullen, de hond en een paar koffiekoeken mee en reden richting het noorden van de provincie.

Via de Westerscheldetunnel ben je zó op weg naar de gekende vogelgebieden waar we al jaren komen. Meestal steken we ineens door naar de Grevelingen en Brouwersdam, dus waarom het nu anders doen? De zon scheen, de temperatuur was best nog aangenaam al zat er een strakke wind. En wat gebeurt er dan? Iedereen die zich kan vrijmaken, komt op hetzelfde gedacht als wij. Dus aan Brouwersdam kon je zo ongeveer op de koppen lopen. Kitesurfers, strandzeilwagentjes die ook al – aan onwerkelijke snelheden – door kites over het strand getrokken werden, een beach volley tornooi (het gros van de terreinen stond onder water, dus hoe ze dat dan doen met de puntentelling?), …

Ik stapte met Jeppe uit voor een strandwandeling en sprak met Manlief af dat we elkaar terug zouden zien aan het eind van de strip. Jeppe kent het systeem al van op Texel, dus ik dacht dat hij het dolletjes zou vinden om even een frisse neus te halen. Nou, moe! De eerste 2/3 liep hij vooral achterste vóór te janken om zijn baasje en moest ik volle kracht gaan om hem toch mee te krijgen. En in dat mulle zand: da’s power training! Ik besloot dat het laatste stuk net zo goed langs de weg achter de duinen kon gelopen worden. De doorgang via het strand werd toch geblokkeerd door die volleyballers. Een paar honderd meter verder waren we weer herenigd en haalden we de fototoestellen boven.

De gebruikelijke routine: langzaam de dam langsrijden en de zee en de dammuur in de gaten houden voor vogels en zeehonden. Maar met de drukte aan de wal en de sterke wind viel de oogst tegen. We besloten koers te zetten naar het Veerse Meer. Ook daar hadden we niet veel geluk. Maar we hadden een fijn plekje aan de oever om onze koffiekoeken op te eten en de plannen voor de rest van de dag te bespreken. Het mag duidelijk zijn dat we nog ruim een maand te vroeg waren, want de omgeving krioelde nog van de toeristen. Bovendien zijn de gevleugelde wintergasten nog lang niet aangekomen. Daarvoor moet het in het noorden al eens flink koud geweest zijn.

Manlief kwam met een geniaal idee: als we nu eens “op ’t gemakske” op huis aan gingen, maar niet via de snelle weg over de A58, maar via de rijksweg 57. Niet de indrukwekkende Zeelandbrug over langs waar we gekomen waren, maar via de Oosterscheldekering bij Neeltje Jans. En vandaar zo dicht mogelijk bij de kust blijven rijden.

In Oostkapelle haalden we herinneringen op aan een midweek die we daar ooit doorbrachten in een peperkoeken huisje aan de rand van het bos. Charmant, maar wel vatbaar voor een update naar wat hedendaags gerief. En een huisbaas die het bestond om onaangekondigd en onnodig in huis rond te hangen terwijl wij er niet waren. Bij onze thuiskomst vielen we bijna dood, zo heet was het er. Niet moeilijk: hij had alle radiatoren open gedraaid. Iets wat ik in alle ongebruikte kamers meteen weer ongedaan maakte. Desondanks kregen we aan het eind een energierekening gepresenteerd die de huishuur met gemak oversteeg. Dat was dan meteen de laatste keer dat hij via de VVV verhuurd heeft, want na onze klacht aldaar werd het huisje meteen geschrapt uit het aanbod.

Domburg is bekend en valt duidelijk in de smaak bij de toeristen. We zullen het met graagte bezoeken als er wat minder volk rondloopt. Via Meliskerke naar Zoutelande. “Blij dat je hier bent”, want we kwamen stilaan tot de bevinding dat het helemaal niet nodig is om zo hoog te rijden als we vogels willen zien. Eens de kou iedereen naar huis gejaagd heeft en enkel nog vogelzotten zoals wij de ijzige wind trotseren, is dit een ideale streek om ganzen en andere trekkers te gaan spotten. Veel tijd gespaard, want op minder dan een uurtje van huis en dus ook geschikt voor een halve dag of een impulsieve ontsnapping. Via Vlissingen kwamen we weer aan de toltunnel.

De volgende expeditie blijven we zelfs aan “onze” kant, want dan gaan we richting Breskens. Het werd hoog tijd dat we onze nieuwe thuishaven en zijn omgeving en mogelijkheden beter leerden kennen. Een mens zoekt het altijd zo ver van de voordeur, he …

Zondagje niksen …

Gewoon een luie zondag, niets gepland, niets te doen. Lekker in de tuin met een drankje, een goed boek en – uiteraard en voor alle zekerheid – toch maar een fototoestel bij de hand, want je weet maar nooit …
Er zitten huismussen in de tuin, véél huismussen, en onze vertrouwde buren, de groenlingen. Uiteraard zijn de Turkse tortels weer aan het “stouwen”. Zelfs de putters zijn terug van even weggeweest.
En dan zit er opeens een tortel bij die niet helemaal in het plaatje past.

zomertortel

Blij dat deze zomertortel nog even gedag kwam zeggen vóór hij/zij aan de lange reis begint naar de winterresidentie. Het zag er nog een jonkie uit, want het grijs is nog niet zo diep van toon als bij de volwassen dieren, maar vergissen zat er toch niet in.

Goeie reis, vriend, en wees voorzichtig onderweg. Meer naar het zuiden schieten ze eerst, vóór ze vragen stellen …

Er zijn verkiezingen op komst zeker ..?

Het is de laatste tijd vrij stil rond BDW. Ik denk dat hij door zijn voorraad Latijnse spreuken zit.

Vandaar dat hij het tegenwoordig overlaat aan zijn secondant om Franck(en) en vrij de controverse op te zoeken. Wat daarbij opvalt is dat deze would be politicus zich ook zo graag bedient van de sociale media om zijn stommiteiten aan de wereld te presenteren. En dat hij even zovele keren zijn slechte smaak en zijn misbaksels moet schrappen. Aan wie doet mij dat nu weer denken?

“Lang leve de man die al die ongein niet nodig heeft om zich goed in zijn vel te voelen”

Lang leve de politicus die het niet nodig heeft om te provoceren om stemmen te halen. Maar dan moet je écht iets te zeggen hebben, he …

Kdochtetnie …

Zo, hier zijn we weer. Hoewel het nu buiten echt spannend wordt met de trek die volop op gang komt, had ik de afgelopen dagen weinig te melden wegens vooral binnenshuis. Afgelopen woensdag kreeg ik namelijk een herstellinkje aan de motor (3 stents) en dan kan je niet veel verder kijken dan de parking van het ziekenhuis en de volgende dag de weg naar huis.

Inmiddels zijn we een paar dagen verder en wijzer. Wat na-OP klachtjes en de ervaring van nieuwe (hopelijk tijdelijke) limieten die je maar beter kan respecteren. Zo lukt de normale afstand van de avondwandeling met Jeppe wel weer, op voorwaarde dat ik mijn tempo wat aanpas. Dacht ik vanaf volgende week – uiteraard onder streng toezicht van de fysio en de arts – al aan de revalidatieoefeningen te kunnen beginnen, dan hielp men mij snel uit de droom. “Rust maar even uit gedurende een week of 3-4. Dan zal de cardioloog wel zeggen wanneer het weer kan”. Zo, zo.

Ik ben ontzettend blij dat we vorige week nog een najaarsvakantietje geboekt hebben, want als ik de agenda voor de e.k. weken bekijk word ik al ziek van de medische afspraken alleen. Naast onze “normale” periodieke controlebloedprikken en het ophalen van de resultaten, moet ik toch ook even langs de huisarts om hem op de hoogte te stellen van mijn wedervaren in het ziekenhuis en hem het verslag van de cardioloog te overhandigen. Er staan een netvliesscan op het programma, een tandcontrole, een laserbehandeling bij de dermatoloog, de ECG-test en het na-gesprek met de cardioloog.

Komt er gisteren ook nog een uitnodiging voor het intake gesprek voor een opvolgbegeleidingsprogramma… Ik zal wel naar die intake gaan en braaf de vragenlijst beantwoorden, maar ik rij niét elke keer naar een fysiobehandeling in Terneuzen, als ik die hier om de hoek ook kan krijgen. “Onze” vertrouwde therapeuten (even bekwaam als die in Terneuzen) hebben de sportschool ter beschikking voor de oefeningen en de huisarts zit twee deuren verder in hetzelfde gebouw, in case of emergeancy… Ik weet niet hoe lang zo’n begeleiding duurt, maar volgens mij gaat die overlappen met de revalidatie van Manlief zijn op handen zijnde 2de knieprothese. Als ik mijn tijd, aandacht en autobrandstof moet verdelen over 2 fysio’s, krijg ik zo’n volle agenda dat ik beter had kunnen blijven werken.

Kdochtetnie …