Efkes druk …

Hallo. Efkes stillekes hier, he?

Alles OK, hoor, maar wat druk. En dan lui. En nog meepakken van het weer wat er nog te krijgen is. En de tuin hier en daar al wat herschikken voor de winter. Of toch minstens voor de herfst: uitgebloeide petunia’s weg, chrysanten in de kuipen. De bollen zijn voor later.

Een vogel of een muis had sierpompoenen geplant in onze tuin. Die heb ik nu geoogst en in een ruif geschikt, want dat kon dat beest niet, natuurlijk.

Nu even wachten op ex-buurman voor een probleempje aan de pc van Manlief. En ik kan (alweer!) niet meer rechtstreeks printen, dus elke keer alles op een stick (pffff) en ik heb juist veel nodig op papier.

En als J. weg is, een eindje fietsen over de zeedijk en hopen dat we die twee butskoppen zien, die nu van de Oosterschelde in de Westerschelde verzeild zijn.

De zwaluwen zijn gisteren vertrokken, op een paar hekkensluiters na.

En dan rap eten maken want ik moet nog naar de gemeente, want vanaf dit jaar moet de subsidie-aanvraag van de dorpsraad digitaal ingestuurd worden en vééééél gedetailleerder, en dat moet nog binnen vóór 1 oktober.

Dus tja, efkes stillekes hier …

PS:
Ik lees – na thuiskomst – net dat moeder Butskop levenloos is aangespoeld in de buurt van Terneuzen. Waarschijnlijk is ze aangevaren door een schip, want ze heeft over het hele lichaam een grote wond. Er valt voor het kalf te vrezen …

Trofeeën opzetten …

Aan de hand van de foto’s van vorig blogje wil ik nu een paar trucjes meegeven die van een “gewone” of zelfs een “gemiste” foto iets bijzonders kunnen maken. Ik geef ze in dezelfde volgorde als hiervóór, met een korte beschrijving van wat ik met het origineel gedaan heb en welk effect ik daarmee wilde bereiken.

Ik héb Photoshop, maar als ik het niet nodig had om maandelijks de header van onze nieuwsbrief aan te passen, had ik het abonnement al opgezegd, want ik gebruik het zelden. Photos van Windows volstaat meestal voor wat ik met mijn foto’s wil doen. En dat beperkt zich in 99% van de gevallen tot uitsnijden, ontnevelen en kleur/lichtbalans corrigeren. Als er een windmolen in beeld staat, die ik niet weggeknipt krijg, dan staat die daar toch? Het is een onderdeel van de context.

Als je twijfelt over de uitsnijding, dan kan je uit stevig papier of karton (liefst zwart, omdat het beeld dan echt naar voor springt) een venster uitknippen dat je voor je scherm houdt en verplaatst. Je kan middels een tweede vel ook nog met de lengte/breedte verhouding spelen. Een keer dat je het gevoel te pakken hebt, heb je dat niet meer nodig.

Kies altijd eerst de uitsnijding en ga dan naar de licht/kleurbalans.

Eerst en vooral heb ik de uitsnede gekozen. Een klein beestje in zoveel omgeving valt amper op. De lucht stoort heel erg en vlakt de kleuren uit.
Maar de valk moet wel een context krijgen. Het paaltje én de prikkeldraad geven “body” aan het beeld. Valken zitten wel vaker op paaltjes, dus geef je hier meteen ook die informatie mee. Verder werd het licht wat getemperd en de nevel gecorrigeerd (in de meeste -zelfs eenvoudige – bewerkingsprogramma’s zit die optie)
Een drukke achtergrond, of een overdaad daaraan, maken het beeld onrustig. Als je de tijd hebt om handmatig scherp te stellen, kan je die rommel onscherp maken. Als het allemaal snel moet gaan en je automatisch scherp stelt, moet je gaan knippen. Hou daarbij in de gaten of je onderwerp niet zodanig vergroot wordt dat het onscherp wordt.
Hier staat het bokje in het midden van het beeld, maar zijn vriend(innet)je staat er nog bij, links. Centraal plaatsen moet je altijd even uittesten, want het geeft niet altijd een mooi beeld. Denk er de gulden snede overheen. Maar soms kan het juist een heel sterk effect hebben, bijvoorbeeld als je een lange dreef met hoge bomen wil fotograferen.
De zilverreiger komt goed in beeld, zijn gespreide vleugels benadrukken zijn figuur en zweefvlucht. Maar door het teveel aan decor gaat dat effect verloren.
Om hier extra nadruk op te leggen heb ik een langgerekte uitsnijding gekozen, die bovendien bijna egaal van kleur is. Zo wordt de blik niet afgeleid van de vogel. Wil je wijdsheid benadrukken, kan je breed en laag gaan, voor het majestueuze van voornoemde bomenrij kan je net hoog en heel smal gaan.
Tenzij je een verkeersslachtoffer of een detail in beeld wil brengen, hebben dieren doorgaans een kop, een lijf en een kont. Let er dus op dat het hele dier op de foto staat. De “blinde vinken” (in dit geval ganzen) rechts worden dus weggeknipt.
Probeer toch voldoende marge te houden vóór de snavel van de eerste gans. Desnoods haal je ook wat lucht achteraan weg, zodat de ganzen IN het beeld komen vliegen. Als ze te dicht bij de rechterkant staan, vliegen ze uit beeld en geeft dat de indruk dat je net te laat was. De overdaad aan scherpe lucht kan ook beter geknipt worden. Het is vermoeiend voor de ogen en haalt de kracht uit de foto.
Er zijn uiteraard grenzen aan wat je met een foto kan doen. Als de visarend te ver weg gaat zitten, zit hij te ver weg. Een prijswinner in een fotowedstrijd zit er dan niet meer in. Maar wie zegt dat die foto niet tóch een mooie waarde heeft voor de fotograaf? Je ziet tenslotte niet elke dag een visarend. En het is nog altijd een nuttig beeld om bij twijfel naast een vogelgids te leggen of aan een vogelkenner te tonen.
Zoals gezegd: geen prijswinner. Maar voldoende om de soort te herkennen. Nóg verder uitvergroten kon niet meer vanwege scherpteverlies. Dit is echt alles wat er in zat. Net als bij alle andere foto’s is ook hier – na het uitvergroten – de kleur/lichtbalans wat gecorrigeerd en de nevel verwijderd.

Tot zover een handvol weetjes over NATUURfotografie. Wie zich verder wil verdiepen in natuurFOTOGRAFIE heeft misschien iets aan https://www.natuurfotografie.nl/

Vogelke gij zijt gevangen …

In mijn vorige blogje gaf ik wat uitleg over hoe, waar en wanneer je op fotojacht gaat en wat je – naast een camera – eigenlijk het meeste nodig hebt voor het maken van geslaagde natuurfoto’s. Nu trekken we er op uit. Ik geef onze jacht op de visarend als praktijkvoorbeeld.

Als je een tochtje gaat maken, rij/wandel je best zoveel mogelijk met de zon opzij of in de rug. Als het tegen de middag gaat, heb je bovendien geen slagschaduwen, dus weinig of geen dieptezicht meer en de zon trekt alle kleur weg uit het beeld. Tijdens de zomer fotografeer ik meestal alleen vóór 11:00 en na 16:00.

Het bekende “blauwe uurtje” (vóór zonsopgang) en “gouden uurtje” (na zonsondergang) zijn prachtig voor landschapsfotografie, maar bedenk wel dat de kleurweergave van objecten er sterk door beïnvloed worden. Ik ontdekte pas onlangs deze app: https://www.zon-op-onder.nl/golden-hour
Je kan de ruiter op de plaats zetten waar je wil gaan fotograferen en dan geeft hij aan wanneer daar het gouden uurtje van die dag valt.

De ingevoegde foto’s zijn de originelen. In een volgend blogje laat ik zien hoe een goedgekozen uitsnijding of een minimale licht/kleurcorrectie al een heel andere foto laten zien.

Ik heb er ook de tijdstippen bij gezet, puur om een tijdlijn te laten zien van de periode die je vaak moet uittrekken voor één enkele foto, maar ook wat je in de tussentijd allemaal kan zien en doen. Bij de uitrusting van de natuurfotograaf zit dus ook (en vooral!) een hoop geduld. En lukt het vandaag niet, dan proberen we het een andere keer. Soms moet je jaren wachten op dat éne beetje geluk.

Op jacht.
Omdat de vorige twee dagen niet erg succesvol waren, hebben we besloten om te gaan posten in de uitkijktoren aan Luntershoek. We willen niet het risico lopen dat de post al door tig vogelaars bemand is, dus vertrekken we op tijd. Met een flinke dosis geluk is ons fotomodel in de buurt en kiest hij één van zijn favoriete dode boomtoppen uit. De kans bestaat uiteraard dat hij vandaag net die boom kiest waar we onderlangs moeten om onze stek te bereiken, maar dat moet dan maar.

Bij aankomst rond 9:30 geen visarend. We pakken onze spullen (statief, zandzak, camera en 300 mm, plus onze verrekijkers) en gaan richting onze uitkijkpost. In het weggetje krijgen we het gezelschap van een torenvalk die op een weidepaaltje gaat zitten (09:43). Toch maar even rustig alles op de grond leggen en de camera richten:

De belichting is niet optimaal, maar daar kunnen we later nog wel iets aan doen. Ook de uitsnijding zal veel aan de foto toevoegen. Maar dat is dus voor blogje 3.

Hoe later de visarend komt opdagen, hoe ongunstiger het gaat zijn voor het maken van foto’s, want dan gaan we tegen de zon in kijken en zie je nog enkel een silhouet. Denk dus altijd even na over je standpunt of kijkrichting in functie van de zon. Soms heb je dat niet helemaal in de hand, natuurlijk. Ook een object dat afgetekend tegen de lucht zit, roept dat probleem op.

We hebben het statief opgesteld op het platform en wachten geduldig af. Intussen is er in de omtrek van alles te zien: de hooglandrunderen verder weg worden bijgevoerd, dat levert wat commotie op aan de bosrand en daardoor komen twee reeën onze kant op. Omdat we in de hoogte staan, ruiken ze ons ook niet direct. We hebben dus al de tijd om zo geluidloos mogelijk (in die houten kijkhutten maak je altijd meer gerucht dan je wil) de zandzak op de rand van de toren te leggen om de camera op te steunen (10:06):

De dieren zitten vrij dichtbij, en we krijgen ze scherp in beeld, maar de omgeving ziet er te onrustig uit. Dat is een probleem dat we bij de montage moeten aanpakken.

Om 10:21 is er even opwinding: een roofvogel gaat op een dode boom zitten! Maar we zien algauw dat het niet onze superster is. Wat is het dan wel? Foto’s zijn vaak een goed middel om thuis rustig de naslagwerken er bij te pakken voor naamgeving. En als je er niet uit geraakt, kan je nog altijd de waarneming mét foto aanmelden en raad vragen aan de specialisten.

Het is wringen in alle bochten om de vreemde vogel in de zoeker te krijgen, maar het lukt. Nu maar hopen dat het beeld scherp genoeg is om te vergroten tot we duidelijk de kenmerken zien.

10:29 en nog steeds geen visarend. Maar wél een heel elegante verschijning die komt aanvliegen, snel daarna gevolgd door nog 10 soortgenoten: een grote zilverreiger:

Groot genoeg om iets mee te doen, maar als totaalbeeld is dit niet erg aantrekkelijk.

10:32 en een zacht, vol gegak klinkt vlak boven onze hoofden: een setje grote Canadese ganzen vliegt net langzaam genoeg om de camera met de loodzware lens omhoog te richten. geen tijd om nauwkeurig scherp te stellen: niet geschoten, altijd mis en digitale foto’s kosten geen geld.

Qua scherpte valt dat dus dik mee. Maar er zijn dieren aangesneden.

10:34. Een jonge putter en een pimpelmees komen vlakbij in een struik naar ons zitten kijken. Door de zware lens kan ik ze niet allebei scherp krijgen. Ik kies er één en de ander verdwijnt op de achtergrond. Omdat ze rustig zitten, krijg ik de kans om ook de andere eens scherp te fotograferen. We zoeken thuis wel uit wat er van gelukt is.

Hier is het dus de pimpel die scherp gehouden is. Maar door de wazige, héél aanwezige achtergrond is het beeld weinig aantrekkelijk.

10:37 en we hebben eindelijk geluk!!! In de top van de dode boom zien we het ons bekende silhouet van ons fotomodel. Het statief stond al klaar, enkel de voet van de camera er in klikken en hopen dat dat malle beest blijft zitten. Omdat de trillingen van de spiegel via het statief en de toch niet echt stabiele ondergrond van een houten platform het beeld onscherp maken, hebben we die vast opengeklapt (kan niet bij alle toestellen), de scherpstelling gebeurt via het scherm op de achterkant van het toestel ipv door de zoeker.

Wat is ie klein! Als dat maar goed komt!

En dàt, lieve kijkbuiskinderen, zien we morgen, in de virtuele DOKA.

Kijk eens naar het vogeltje …

In hun reactie op mijn vorige blogje opperden een paar collega-bloggers dat ze wel een paar tips konden gebruiken voor het maken van natuurfoto’s. Nu ben ik zelf allang niet meer van de technische uitleg. Ooit, in de tijd dat de paarden nog konden spreken en ik nog een manueel te bedienen fototoestel met filmrolletjes gebruikte, had ik de meeste vuistregels over verhouding belichting/diafragma/filmgevoeligheid etc. wel zo ongeveer gebeiteld in het hoofd. Maar sinds de komst van de digitale fotografie, en vooral door de aanschaf van een wat gesofisticeerder toestel, vertrouw ik vooral op de “kunde” van het toestel en werk op de automatische stand.

De voornaamste reden daarvoor is, dat met name dieren niet blijven poseren tot je de handleiding van je toestel uit hebt. Planten blijven tenminste nog op hun plaats, maar een vogel of insect denkt al gauw “salut en de kost“. Als je dan al een kwartier bezig bent met handmatig instellen is dat om dood te vallen.
Daar komt nog bij dat er zo veel knopjes en klepjes en standjes aan dat toestel zitten, dat je inderhaast nog wel eens de hele boel weer ontregelt vlak vóór het afdrukken.
Dus mijn eerste vuistregel is: werk automatisch als de omstandigheden dat toelaten.

Natuurlijk is het wel superleuk als je ook al die speciale standjes (van je toestel, wel te verstaan) kan gebruiken, maar dat doe ik vooral bij opnamen die ik kan voorbereiden, zoals een zonsop-/ondergang of zo. Als je op tijd ter plaatse komt kan je alles installeren: statief, camera en de instellingen (die je vooraf thuis al wel hebt doorgenomen, maar neem toch die handleiding maar mee). En vergeet niet: tegenwoordig kom je met een mobieltje met iets of wat camera ook al een heel eind!

Voor natuurfotografie is gouden regel nummer 1 eigenlijk: ken je onderwerp! Ken de plaats of het biotoop waar je foto’s wil maken en weet wat je er kan verwachten en wanneer. En dat kan maar op één manier: ga er veel wandelen. Het zal al wel opgevallen zijn dat de relatief kleine omgeving van ons huis hier vaak een hoofdrol speelt, want daar wandel ik bijna dagelijks. ’s Morgens, ’s middags, ’s avonds. In alle seizoenen en bij elk weertype.

En dan is het zaak om je ogen de kost te geven. Neem niet altijd een camera mee, zorg vooral dat je ogen en oren wijd open zijn. Leer het gebied aanvoelen. Wat ik wél vaak doe: als ik een bepaalde lichtinval zie waar ik wel eens wat mee wil doen, dan maak ik een foto met mijn mobieltje en noteer seizoen, uur en weersomstandigheden. Zo weet je wanneer je de meeste kans maakt om dat nog eens te zien. En kijk niet alleen naar de lucht of in de verte. “Hét” gebeurt soms vlak vóór je voeten!

Kijk ook goed welke dieren er voorkomen, leer ze kennen, neem de tijd om hun gedrag te bestuderen en de manier waarop ze reageren op menselijke aanwezigheid. Vooral dat laatste is belangrijk. Ik heb ooit – in de beginjaren van Grasduinen (tegenwoordig Roots) een reeks artikels van Fred Hazelhoff gelezen. En wat hij meegaf als raad, pas ik nu nog toe. Het heeft niets met het fototoestel en alles met de fotograaf te maken:

leer je gebied kennen dan weet je welk tijdstip het meest geschikt is voor wat je wil vastleggen; wij wonen in een getijdengebied, dus moet ik daarmee rekening houden (wanneer is het hoog of laag water?).
leer zijn bewoners kennen dan is het makkelijker om te weten waar ze zich op een bepaald tijdstip ophouden; als binnenkort de brandganzen en masse het land in komen, is het zaak om in de gaten te houden welke maïsakker geoogst wordt, want daar zitten ze dan met honderden, zelfs duizenden. Dieren zijn afhankelijk van planten, soms zelfs van één bepaalde plant (vlinders en hun waardplanten, bijvoorbeeld). Zoek uit waar en wanneer die planten bloeien.
gedraag je steeds op dezelfde, rustige, manier zodat vaste bewoners weten dat ze van jou niets te duchten hebben; ze komen daarom nog niet op je schouder zitten, maar reken maar dat ze je herkennen.
volg steeds dezelfde route zodat ze weten hoe ze een veilige afstand kunnen bewaren (meestal ietsje méér dan 1,5 m 😉 ).
draag liever géén camoufflagekleding want daar worden ze zenuwachtig van; als ze je voortdurend kunnen zien kunnen ze hun strategie uitkienen; als je het éne moment zichtbaar bent en het volgende opeens wég, slaat de paniek toe. Wél handig is als je je eigen contouren, en vooral die van een statief met telescoop of fototoestel, laat opgaan in die van struiken of zelfs je geparkeerde auto.
wees voorspelbaar, zelfs als je niet van plan bent om een foto te maken, breng af en toe rustig de camera of verrekijker in de aanslag, zodat ze die handeling leren herkennen; houd daarbij rekening met het feit dat rechtstreeks op het dier richten vaak angst aanjaagt: je lens is een OOG!
gebruik geen deo of andere geurtjes als je de natuur in gaat; vooral zoogdieren zijn daar erg gevoelig voor, maar je trekt er ook ongewenste aandacht van chagrijnige insecten mee.
heb respect voor de natuur: ga niet languit bovenop de begroeiing liggen om die éne foto te maken. Pluk geen half grasland kaal omdat er een halm in beeld komt. Sommige foto’s willen niet gemaakt worden.

Dit is wel genoeg voor een eerste keer, denk ik. In een volgend blogje ga ik het hebben over de (foto)jacht zélf en in deel 3 gaat het dan over wat je met de buit moet doen.

Eén ding is zeker: iedereen kan mooie natuurfoto’s maken, ook zonder dure camera. Een natuurfoto is mooi als je er de liefde en het respect voor het onderwerp in voelt en als het model zich op zijn gemak voelt. Een verschrikte blik roept weerzin op.

1 september …

Bijna 3 weken geleden dat ik nog een blogje postte! En intussen heeft WordPress de nieuwe editor ingevoerd. Benieuwd of die echt zoveel beter is als zij willen doen geloven. Het heeft weinig zin om het te proberen ontlopen, denk ik. Al kan je (voorlopig) nog terug naar de vorige editor, één of andere dag is die opeens spoorloos en moet je toch door de zure appel heen. Als jullie hier een totaal onontwarbaar allegaartje aantreffen: schiet niet op de pianist maar op de pianobouwer…

Het was echter niet de angst voor een nieuwe werkwijze die me weg hield van mijn pc’tje. Na de hittegolf-quarantaine volgde een reeks van in te halen activiteiten en werkzaamheden. Bovendien is een naderende 1 september altijd goed voor opgeschaalde voorbereidingen. Niet alleen scholen schieten weer in gang, ook het verenigingsleven probeert weer op snelheid te komen, voor zover corona-maatregelen dat toelaten. Zo ook onze dorpsraad, waar we de handen ruimschoots vol hebben aan de oprichting van een jeugdsoos. Was 4 september de oorspronkelijke richtdatum, om voor de hand liggende redenen wordt het nu – bij leven en welzijn – 2 oktober.

Na het verplichte binnen zitten (lock down) kwam het verstandige binnen zitten (hittegolf cum ozon-overmaat), dus nu zijn we ook niet meer binnen te houden. De afgelopen dagen hebben we al behoorlijk wat uurtjes gespendeerd aan het begluren van de visarend die bij Luntershoek zijn vaste post gemaakt heeft. Is het dezelfde als de vorige jaren? Heel waarschijnlijk, maar niet noodzakelijk. Feit is, dat we al het 3de jaar op rij bij het begin van de herfst een visarend hebben op die locatie. Donderdag en vrijdag hebben we enkel gelezen over zijn aanwezigheid. Zaterdag merkten we hem voor het eerst zelf op. Typisch visarend: helemaal op het topje van een dorre boom. Tedju, te weinig geslepen glas bij!

Zondag nieuwe poging, mét extra lenzengeweld. Géén visarend. Toch niet op dàt moment. Even de waarnemingen checken en wat bleek? Meneer (of mevrouw) zat op een paar honderd meter van ons huis te vissen in het haventje van Walsoorden! Dan maar een rondje maken en straks nog eens terug komen en ja, toen was ie weer op post. Een andere post, verder van de weg af. En van onze camera …

Gisteren dus maar terug, mét de 300 mm, het statief en op hoop van zege. Deze keer klauterden we met onze hele kluts op de uitkijktoren. Als hij weer op zijn plekje van zondag ging zitten, konden we hem aaien … Maar zo gek krijg je die beesten niet, natuurlijk. Omdat we op weg naar onze uitkijkpost nogal dicht bij die van hem moesten komen, was de vogel gevlogen. Maar we hadden een grote zak geduld meegenomen en trokken de wacht op.

’t Is nu niet dat je dan helemaal niets te zien krijgt: bijna onder de poten van de toren door kwamen twee jonge reeën gewandeld. Altijd goed voor een reeks foto’s met groot OOOOhhhh-gehalte. We werden trouwens al gauw omsingeld door niet minder dan 11 grote zilverreigers. Ook niet te versmaden! Een jonge putter en een pimpelmees kwamen in een dichtbij staande struik zitten om ons in de gaten te houden, terwijl wij de meegebrachte vogelgids om en terug doorbladerden, om uit te maken of die roofvogel in die andere dode boom nu een havik of een sperwer was. Of misschien wel de wespendief, die de vorige dag in Terneuzen gezien was? We zijn er nog niet uit. De waarneming is – inclusief wazige foto – doorgestuurd. Laat de experten het maar uitzoeken.

Daar is ‘m! Daar is ‘m! Maar dat markeert ook het einde van de zomer …
Aan de linkse kont was niet goed te zien of het een hij of een zij was. Maar rechts zie ik tussen de oren toch al het reeachtige equivalent van een puberaal donsbaardje.
Vier vóór ons in het water, vijf achter onze rug op de wei en twee in de lucht. We konden niet ongezien wegkomen.
De maat klopt, de strepen op de staart ook, de kleur past zowel bij een volwassen sperwer als bij een jonge havik. Zoek het maar uit!
“Zullen we eens op die twee hun handen gaan zitten kijken? Zouden we ook in dat boekske staan, trouwens?”
Overvliegende grote Canadese ganzen. Niet noodzakelijk trekkers, want ze blijven hier steeds vaker als zomergans.

Kijk, dat was niet eens zo moeilijk, die nieuwe editor. Er valt nog veel uit te zoeken, maar dat is voor een andere keer.

Snoeien …

Zullen we het eens hebben over “snoeien”?

Zo ongeveer een week geleden kwam ik via een omweg op het spoor van ene Marianne Zwagermans. Volgens haar cv een zakenvrouw die ook columns schrijft en daarbij vooral oog blijkt te hebben voor wat aan haar mediageilheid kan tegemoet komen. Vandaar dat ze dan ook alle registers pleegt open te trekken om zoveel mogelijk mensen te shockeren, kwestie van de schijnwerpers haar kant op te laten draaien.

Ook deze keer slaagde ze er weer in om tegen ontelbare zere benen te schoppen met een uitspraak die  wel eens als een boemerang tegen haar arrogante kop zou kunnen terechtkomen.

Het ging over corona – what else? – waarbij ze zich bediende van de woorden “dor hout”. Die gebruikte ze expliciet als verzamelnaam voor ouderen, zwakkeren, zieken, … Volgens haar moeten we onze welvaart niet op het spel zetten om een paar duizend kwetsbare ouderen te redden van de coronadood. Als corona hen er nú niet onder krijgt, dan leggen ze over één of twee jaar wel door iets anders het loodje, redeneerde ze.

Naast krantenkoppen haalde Zwagermans o.a. zelfs de kamerdebatten, alwaar haar grove uitspraken het nodige kwaad bloed genereerden. Radio- en tv-zenders verdrongen zich voor haar deur om haar te confronteren, en ze ging daar graag op in, al was ze dan weer weinig consequent, want ze wilde liever niet laten weten waar die deur was. “Ik krijg nogal eens bedreigingen”. Tja, wat had je verwacht, schat? Als je per sé omelet wil bakken, moet je de kapotte schalen er voor lief bij nemen. Anders hou je het maar bij oud brood en water.

‘We gaan door met verse twijgjes.’ Groot gelijk! Al zou iedere rechtgeaarde tuinspecialist aanraden om meteen ook al de wilde scheuten er uit te halen, omdat die niks voortbrengen dat deugt en alleen maar vegeteren op kosten van de struik …

Sommige mensen zullen zeker niet dood gaan aan teveel verstand. Voor deze zelfverklaarde schrijfster wordt het dus ook wachten op verdorren of corona …

T.a.v. de Vlinderstichting …

Beste,

momenteel zit onze tuin vol koolwitjes en atalanta’s. Soms met 10-15 per soort tegelijk. Superblij mee.

Maar gisteren en vandaag viel ons van de atalanta’s dit gedrag op:

Wat is daar de betekenis van? Is dat een vlinder die dringend op zoek is naar een maatje om te paren? Is dit een signaal naar overvliegende soortgenoten dat er nog veel voorraad te vinden is (een beetje zoals bijen doen)? Of zijn die beesten gewoon stomdronken van het nectar zuigen? Bij hommels heb ik ook al eens vergelijkbaar gedrag gezien. Al is me achteraf verteld dat dat eerder het omgekeerde was: hoge nood aan nectar.

Mvg,
Wordt (hopelijk) vervolgd …

 

Op é.o.a. manier kan ik geen afbeelding in een reactie plaatsen, dus in antwoord op de analyse van doctorandus T.J. Pannenkoek, hier een foto van de (vorige week geplaatste) drinkschaal voor bijen en vlinders:

bijendrinkschaal

De knikkers en keitjes zorgen ervoor dat hun pootjes niet te nat worden. De grote glazen “eieren” had ik nog liggen en ik vind dat ze er vrolijk bij kleuren.

En toen (bis) …

… vond ik vanmorgen dít verhaaltje op de site van Omroep Zeeland. Ik heb al een mailtje gestuurd naar de Mikke en ook de vraag gesteld bij waarnemingen.nl of de kadavertjes ingezameld worden voor onderzoek, zoals ook gebeurde bij de merels, een paar jaar geleden.

Waar ik me nu toch ook even zorgen over maak, is de eventuele overdraagbaarheid naar honden en (vals beschuldigde) katten. Dierenarts bellen.

Wat ik er zeker uit onthoud is dat ik nu nog maar eens extra grondig dat hok moet schoonmaken. Maar kan ik het strooisel dan in de kliko gooien? Hoe lang blijft dat virus zonder gastheer leven?

Een uurke of 3 later was er al antwoord:

“Beste meneer, (nou ja …)

Nee er worden geen dode dieren in gezameld.
Er is niets bekend over overdragen op andere dieren.
Als u uw kast schoonmaakt en nieuw strooisel erin doet is dat voldoende.
Zodra er meer bekend wordt over het virus komt dat ook weer in de publiciteit.

Met vriendelijke groet,
Coby Louwerse.”

En toen …

… kwam er een varken met een lange snuit en ’t vertelselke was  uit.

Iemand die zich die zin nog herinnert van al dan niet lang vervlogen tijden? Ik moest er deze namiddag aan denken. Net vóór de lunch trok de zon zich (eindelijk!) terug achter de wolken, de temperatuur zakte zeker wel 2 graden en tegen de tijd dat de laatste slok koffie op was, vielen er zelfs wel een stuk of 10 regendruppels. Minstens. Maar ze vielen zo ver uit elkaar dat je snel moest zijn om ze te tellen, of ze waren alweer opgedroogd.

Anyway. Het dagenlange stilzitten heeft al dermate op mijn systeem gewerkt, dat ik na het eten mijn tuinhandschoenen, klein materieel en een afvalemmer pakte en aanstalten maakte om her en der de ongenode gasten weg te werken. Het viel nog niet mee, want het bukken maakte me zo duizelig, dat ik bijna bovenop een paar venijnige distels landde.

En toen zag ik het.
Herinneren jullie je nog wat er in het vorige hoofdstukje gebeurde?
Het vervolg van het verhaaltje kennen we niet met zekerheid, maar dit is een mogelijkheid:

Toen moeder Egel de boze kat had weggejaagd, installeerde ze zich knusjes in haar huisje en wachtte geduldig op het Grote Moment: de geboorte van haar kleintjes. In het begin had ze daar nog niet veel omkijken naar. Gewoon op tijd thuis zijn om hen te voeden en het huisje schoon te houden.

Maar toen kwam de tijd dat de jonkies naar buiten wilden. Moeder Egel toonde hen de leuke hoekjes en vertelde hen over de gevaren. De kleintjes luisterden en knikten. Maar er was er eentje bij die niet goed oplette toen het over de grote, bange hond en de gemene, hebberige buurtkat ging. 

En op een warme, klamme nacht ging het verstrooide jong alleen op wandel. De hond had nog laat naar de sterren geblaft, maar was toen toch in huis verdwenen. Kleine Egel schuifelde tussen de lange rabarberstengels en een grote plant met lange kronkelige stengels en gele bloemen en probeerde in het maanlicht te komen. Dan kon hij zien waar het plonsbad gegraven was. Nog een paar pasjes en toen …

XYZ_1595