De lucht klinkt anders …

Je moet geen buitenmens zijn om te weten dat het licht verschilt naargelang de seizoenen. Invalshoek, vochtigheid in de lucht, de aan/afwezigheid van bladgroen, … spelen een vanzelfsprekende rol. En onze eigen perceptie van de seizoenen voegt daar uiteraard nog een extra dimensie aan toe.

Al heeft mijn reukzin me al decenia geleden grotendeels in de steek gelaten, de seizoenen zijn altijd verschillend blijven ruiken. Het zijn vaak maar kleine nuances die zich moeilijk in woorden laten vertalen, maar de seizoenen ruiken anders. Na een lange winter kan ik het niet laten me vol te zuigen met de geur van vers omgewoelde aarde. Er zit iets van spanning in, van verwachting. De droge zomerlucht ruikt naar zoetigheid, maar ook naar stof en warmte. Nu de bladeren beginnen te vallen kijk ik er al naar uit om met mijn rubberlaarzen in die dikke laag te woelen en de geur van rotting, schimmels en het verlangen naar rust op te snuiven.

Voor het eerst sinds jaren is het me de laatste twee weken opgevallen dat de seizoenen ook anders klinken. Het geluid van bedelende vogeljongen was al een tijdje verstild, maar al die jonge keeltjes moesten toch nog even geoefend worden.
De zwaluwen zijn nog steeds ver onder hun aantal, maar er zijn er de laatste jaren toch meer dan de decenia ervoor. Ze vallen niet altijd op, het zijn geen grote operazangers. Maar op zwoele zomeravonden, als ze laag over de velden jagen op insecten, hoor je toch hun schrille roepjes. Twee weken geleden was ik op zo’n warme avond met Jeppe aan het wandelen en opeens was hun geroep intens aanwezig. Een groep van wel 50-60 zwaluwen was achter een boerderij verzameld. De laatste reisinstructies werden gegeven, de volgende plaats van afspraak nog eens afgeroepen. De volgende dag was er in de wijde omtrek geen één zwaluw meer te bekennen. Hun ijle stemmetjes worden allengs vervangen door het zware getromp of gegak van trekkende ganzen, de ochtenden zijn gevuld van het getjok van grote groepen kauwen, hese sijsjes en andere kleine trekkertjes vullen het orkest aan. Maar het is een ander stuk dat gespeeld wordt. Geen strijdvaardige territoriale aria’s, geen bedelliedjes, maar korte, gehaaste geluiden: “schiet op, straks haalt het slechte weer je in!” en “snel, daar is een akker waar we nog even wat voorraad kunnen opdoen voor we verder trekken”.

De lucht ziet er anders uit, hij ruikt herfstig, de klanken zijn veranderd. En nu de onverwacht lange indian summer voorbij is, voelt hij vochtig aan en killer…

Tussen droom en werkelijkheid …

… ligt voor ons de Hollandse omgangscultuur. Niet de Nederlandse, de Hollandse.

We gaan al meer dan 30 jaar met plezier naar de Waddeneilanden. Eerst Texel (in 1982), dan Ameland (moet ergens omtrent 1990 geweest zijn) en toen voor ruim 20 jaar Terschelling.

Op Schilge beleefden we – samen met onze hondjes – hemelse tijden, zelfs als de zwinnetjes waren dichtgevroren of we onze voeten tot voorbij onze enkels in het zand moesten begraven om overeind te blijven tijdens een storm.

Het werd liefde. En we wilden daar op termijn zelfs een huwelijk van maken door er na onze pensionering te gaan wonen. Maar net één van de aantrekkelijkheden van Terschelling stak daar een stokje voor. Men is daar héél errùg zuinig met het verkavelen van de grond en huizen zijn er een heel kostbaar goed. Toen we informatie inwonnen over het kopen van een huis kregen we dan ook als eerlijk antwoord dat we als niet-eilander, en bovendien niet-Nederlander, een flinke bonus bovenop de koopprijs zouden moeten betalen om ons op het eiland te kunnen vestigen. Niet het antwoord waar we op gehoopt hadden, maar tenminste eerlijk en recht-voor-de-raap. Zo zijn de Friezen nu eenmaal.

De laatste jaren gingen we weer wat vaker naar Texel en begonnen ons daar steeds meer thuis te voelen. Om eerlijk te zijn: het eiland biedt je als senior (lett’s face it: onze jonge jaren liggen achter ons) meer mogelijkheden. En dus begonnen we de immobiliënmarkt daar in de gaten te houden. Eerst maar eens navragen of er ook op Texel extra toeslagen zijn voor ons als buitenlandse koper. Nee hoor. De prijs die je op de site ziet staan is de prijs die je betaalt. Geen beperkingen, gelijke kansen voor iedereen.

Er kwam nog wel een pak huiswerk aan te pas om alle formaliteiten bij zo’n expat-beweging in kaart te brengen, maar begin dit jaar waren we wel zo ver dat we effectief aan het huisjes-kijken konden beginnen. We legden contacten met makelaars, maakten afspraken voor bezichtigingen en stelden – voor alle zekerheid – toch nog eens die vraag over toeslagen en of eilanders de voorkeur krijgen als ze ook op hetzelfde huis bieden. En elke keer weer een geruststellend antwoord. De droom kwam dichter en dichter.

Eén van de huizen – pas 2 dagen op de markt – had onze naam op elke muur staan. De eigenaar, die ons zelf een rondleiding gaf, was ons ook genegen en beloofde onmiddellijk (tijdens het weekend nog) een mail naar het immokantoor te sturen om te melden dat we een bod wilden doen. Zelf spraken we een berichtje van gelijke strekking in op het antwoordapparaat. Toen we op maandag naar de makelaar belden, was hij “even in bespreking, maar hij belt u zo snel mogelijk terug”. Het werd een wel heel lange bespreking, maar toen hij terugbelde “was het huis net een halfuur eerder verkocht”.

We hadden nog wel een paar huizen in de reserve, dus een kleine maand geleden boekten we een lang weekend in een B&B, speciaal in de context van de huizenjacht, en maakten een afspraak met de makelaar en met een notaris om nog enkele vragen te laten beantwoorden. Ook aan haar vroegen we of er restricties zijn voor buitenlanders. Neeneenee. Alles OK, helemaal welkom!

Het viel ons intussen op dat bepaalde bekenden op het eiland telkens zó druk in de weer waren dat ze ons – geheel buiten hun gewoonte – niet eens konden groeten. Zelfs als ze bijna met hun gezicht tegen onze opgestoken hand aan reden, kregen ze ons maar niet in de gaten. Of ze kwamen ons net wél begroeten, om vervolgens besmuikt te vragen of we nog steeds op huizenjacht waren. We antwoordden bevestigend, maar hielden het verder nogal wazig, want we hadden ergens toch wel het gevoel gekregen dat er achter onze rug gemanoeuvreerd werd.

Het huis viel heel erg in de smaak, we brachten een bod uit en zijn sindsdien nog steeds in afwachting van een antwoord. Toen ik na een goede week eens belde om te informeren hoe het er voor stond, heette het dat de eigenaar een paar dagen het land uit was en we twee dagen later zeker nieuws zouden krijgen. Ik vermoed dat de eigenaar intussen als vermist is opgegeven, want we hebben nog steeds niks gehoord.

Of toch wel: we worden bedolven onder aanbiedingen van recreatiewoningen (daar mag je dus niet permanent wonen en bij de meerderheid heb je zelfs de verplichting om een minimaal aantal weken per jaar te verhuren!) en tweede-woningen. Niet het marktsegment dat ons interesseert. We willen permanent verkassen. Bovendien zit je dan gegarandeerd in zo’n vakantiepark, met om de paar dagen nieuwe buren en met het artificieel opgeklopte vakantiesfeertje (“we hebben er voor betaald en nu zal het leuk zijn, graag of niet”).

Intussen heb ik uit onverdachte bron vernomen dat je als niet-eilander bijna niet aan een permanente woning geraakt, zelfs niet als je er full time werkt. Je kan in volle krisistijd makkelijker aan de wal een nieuwe job vinden dan een huis op het eiland. We weten nu genoeg.

Deze liefde is niet bekoeld, maar diepgevroren. Ik heb maar van één ding spijt: dat we daar nog een vakantie geboekt en betaald hebben ook. Ik word er helemaal heidens van als ze me willen bedonderen.

Verhuizen zullen we. Ons huis – en vooral de tuin – zijn te groot geworden voor ons. We zoeken iets op onze maat. Maar niet meer tussen Hollanders. Zeeuwen misschien. En voor de vakanties keren we terug naar de Friezen en onze eerste grote liefde: Terschelling. Daar weet je tenminste wat je aan de mensen hebt. Nah!

Brief aan uw en mijn vriend, de Politie…

Beste,

de kinderen fietsen weer naar school. Weken van tevoren wordt in alle media campagne gevoerd om hen attent te maken op de gevaren. Ook de andere weggebruikers wordt gevraagd actief en allert mee te werken aan een veilig schoolfietsverkeer. Ik doe daar heel graag aan mee. Vandaar ook deze mail.
Van de ouders van die kinderen horen we enkel angstgeluidjes en gezucht. Want de “boze automobilist” ligt weer op de loer om uitgerekend hùn kind overhoop te rijden! Maar heeft er al eens iemand aan gedacht om die (over?)bezorgde ouders zelf eens op te voeden?
Afgelopen vrijdag was ik – tot mijn grote ergernis – getuige van een scène die alleen maar kan leiden tot gezucht en steil opstaande haren  van de automobilisten.
Moeder en -nog bijlange niet stuurvaste – dochter fietsen van school naar huis. Moeder voorop, zonder fietshelm, aan de kant van het voetpad. Dochterlief schuin achter haar moeder aan, maar ruim naar het midden van de rijbaan. Met de fietshelm … aan het stuur hangend. En sturend als een dronkene, want haar fiets is eigenlijk nog wat te groot en dat fietsen zelf heeft ze duidelijk ook nog niet helemaal onder de knie.
Ik stel voor dat er in de scholen eens een verkeersles voor de ouders gegeven wordt. Ik zou me, als automobilist, moeder én grootmoeder een stuk geruster voelen als die kleine voorop reed, aan de kant van het voetpad, met moeder er achteraan (desnoods een klein beetje meer naar het midden om haar kind af te schermen) zodat ze goed kan zien hoe haar dochter het er vanaf brengt en NADAT ze ALLEBEI hun fietshelm OP HUN HOOFD hadden gezet.
Mvg,
Affodil, die niet alleen de natuur maar ook de veiligheid in de kijker houdt.

Upside down …

De afgelopen weken was het hier al stilletjes op dit blogje. Dat gaat de volgende maanden nog niet zo direct veranderen. Inspiratie genoeg, maar nog niet rijp voor de openbaarheid. Drastische veranderingen, veel fysieke arbeid voor de boeg en dat gaat niet meer zo snel als vroeger, misschien dromen die uitkomen. Misschien wordt ons wereldje wel op zijn kop gezet. Of net niet.

Dit blogje gaat dus in een soort zomerslaap. Hopelijk is er tegen het najaar al wat meer klaarheid. Mogelijk is er in de tussentijd toch een opstoot van schrijfkoorts. Of wordt er een definitief punt achter dit blog gezet. Wie zal het zeggen?

Ik wens iedereen een fijne zomer toe. Intussen blijf ik wel mijn blogrol afschuimen en hier en daar even meepraten.

Big Brother voorbij …

Dat onze privacy allang niet meer privé is, daar maken nog weinig mensen zich illusies over, denk ik. Dat we zelf toch wel even moeten nadenken voor we iets op het internet gooien, is intussen ook al bekend. Maar Big Brother gaat nog veel verder!

Artsen, apothekers, ziekteverzekeringsorganisaties, … beschikken (noodgedwongen) over vertrouwelijke informatie die enkel hén én onszelf aangaan. En laat nu net het departement dat over die discretie en vertrouwelijkheid moet waken, ze op de markt willen gooien. “We kunnen daar geld voor vragen, zolang dat terugvloeit naar de patiënt.” aldus Staatssecretaris voor Privacy Philippe De Backer . 

Wel meneer De Bakker, als mijn gezondheidsdossier verkocht wordt aan de eerste, de gereedste farmahoer wil ik zélf de prijs bepalen én incasseren. En ù hoeft echt niet te bepalen wie er zaken mee heeft of ik me grieperig voel, dan wel  reumaklachten of een maagzweer heb. Die informatie is van generlei waarde voor de farmabloedzuigers. Als ze willen weten hoeveel ze volgend jaar méér kunnen verdienen met het op de markt brengen van nóg verslavender, overbodiger én milieuonvriendelijker verpakte smeerlapperij, dan hebben ze echt helemaal niets anders nodig dan een oplijsting van hun frauduleuze snoepreisjes en mensonterende harteloosheden.

Geen enkele industrie verdient zoveel op de rug van zo weinig werknemers als de farmareuzen, dus bespaar ons het argument van tewerkstelling waar jullie liberalen altijd mee voor de dag komen. Het zijn gigantische monsters die op geen enkele, maar dan ook geen enkele, manier begaan zijn met het welzijn van de gewone mensen (herinner u de weigering om betaalbare HIV-medicatie te produceren voor 3de-wereldlanden en de uitspraak dat een nieuw, naar verwachting zéér effectief, kankergeneesmiddel enkel voor rijken bedoeld is).

De mededeling dat de Open Vld-wolven (en bij uitbreiding N-VA, als ultrarechtse liberalen) de schaamte voorbij zijn, is een open deur intrappen. Wat jullie de afgelopen jaren uitvreten is ronduit om van te kotsen!

Voor mijn part vinden we al de in de terugbetalingslijsten van de mutualiteiten beschikbare én niet beschikbare kwalen terug in de – in alle kranten gepubliceerde – dossiers van uw vriendjes en medestanders. Speel zélf voor laborat, verdomme!

 

Hetzelfde verschil …?

Ik spendeer nogal wat uurtjes per week langs de Vlaamse wegen en dat vooral als voetganger en ander uiteinde van de hondenleiband. Om te beginnen wonen we dan misschien wel “op den buiten” zoals dat heet, maar moet je eerst de nodige kilometers asfalt “presteren” vooraleer je écht een beetje in het groen komt. Asfalt dat zich zonder begeleiding van een regulier voetpad ontrolt, zodat harde en (half)zachte weggebruikers het nodige gezonde verstand moeten opbrengen om de weg met elkaar te delen.

Nu probeer ik sowieso altijd en overal een beetje begrip op te brengen voor anderen.
De auto’s die hier door onze landelijke straatjes scheuren aan een onbetamelijke snelheid worden bestuurd door mensen die naar hun werk moeten en alweer moeten ontsnappen uit de file die zich uitstrekt van de mond van de Kennedytunnel tot voorbij Haasdonk, in de richting Gent. Vroeger opstaan helpt niet altijd, want de kindjes kunnen pas vanaf een bepaald uur terecht in de opvang. Als ik die (gsm-)maniakken zie aan komen vliegen, duik ik met hond en al dus de brandnetels en stinkende grachten in alsof er niets leukers is in het leven.

Vermits we dicht bij de open ontginning van een kleilaag zitten (wie van die gebakken kleibolletjes in huis of bloembakken zitten heeft: dat komt van op “onzen buiten”) stormen hier ook voortdurend van die enorme tractoren met grote aanhangwagens voorbij van wat ze hier ” ’t grondverzet” noemen. Stel u bij het woord tractor een bakbeest voor met wielen die hoger zijn dan een flinke 4×4 en minstens dubbel zo dik als gewone tractorbanden. De rest is in verhouding. Ook de snelheid waarmee ze onze wegen onveilig maken (en kapot rijden) want de bestuurders weten zich – zonder uitzondering – ongenaakbaar. Een nieuwe duik in de wildernis naast de weg, dus. En dan verder met een lading zand tussen de tanden. Tegenwoordig poets ik mijn tanden gewoon nà de wandeling met Jeppe.

Geef mij dan maar de fietsers en de joggers. Toch?
En op die collega-weggebruikers slaat nu net de titel. Allemaal moeten we afrekenen met dezelfde geneugten en gevaren van onze aanwezigheid op dezelfde wegen.
Je zou dan ook een zekere vorm van solidariteit verwachten. Toch?
En daar zie ik – bijna wetenschappelijk en statistisch nauwkeurig – duidelijke verschillen.

De joggers – een enkele uitzondering niet te na gesproken – reageren met een knikje of een goeiedag op mijn begroeting. Het moet al bloedheet zijn en de loper halfdood door zelfoverschatting om geen reactie te krijgen.

De fietsers moet ik onderverdelen in categoriën.
Eerst zijn er de “gewone” mensen die bij mooi weer de “gewone” fiets naar  buiten halen om eens een eindje te gaan rijden en een terraske te doen. Als ze alleen of met twee zijn, gedragen ze zich meestal “gewoon” in het verkeer en wordt er geknikt, gegroet en vaak ook nog iets geroepen van “schoon weer, he?” of zo. Als ze in groep zijn benutten ze bij voorkeur de hele breedte van de weg en dan bedoel ik ook de héle breedte. Afhankelijk van of de ontmoeting vóór of na het laatste terraske plaatsgrijpt ben je als voetganger ook niet meer veilig ín de gracht …

Dan zijn er de gasten op dunne bandjes, in de volksmond nogal eens aangeduid als “wielerterroristen”. Hoewel een hoog percentage ook wel aan die beschrijving voldoet, mag je ze zeker niet allemaal over één kam scheren. Als ze in groep zijn en ze zijn begeleid door een volgwagen of er zijn verantwoordelijken bij die zich met de veiligheid bezig houden (afhankelijk van het aantal deelnemers), dan kan je er bijna groot geld op zetten dat minstens de helft van de groep ook nog een groet of een “merci madammeke” over heeft voor de voetganger die een stapje opzij zet en de viervoeter de kant indrukt. De laatste tijd zijn dat steeds vaker gemengde groepen, merk ik. Ze zijn veelal van ver herkenbaar aan het gelach.

Tenslotte zijn er de échten. De fanatieke sporters, die tevoorschijn komen zodra de eerste geruchten over de voorjaarsklassiekers opduiken en die pas weer verdwijnen na de Vuelta, zeg maar. Velen onder hen denken dat het hele wegennet hun persoonlijke circuit is waar geen regels gelden, behalve die van hen.

Alhoewel ze een weggebruiker zijn als een andere, is hun fiets niet voor de helft uitgerust zoals dat eigenlijk zou moeten. Een fietsbel is alles behalve aerodynamisch, dus als ze je al niet “besluipen” om vlak  naast je ellenboog te flitsen of je de gracht in laten schuiven over fluimen en snot, is dat meestal omdat ze een paar meter achter je rug beginnen roepen “uit de wég! uit de wég!”.

De afgelopen weken was er een die geheid elke keer loeihard floot om mij ervan te verwittigen dat ik de kant moest induiken. Ik zal wel een slechte dag gehad hebben, maar op een gegeven moment heb ik gezegd dat hij eens moest investeren in een goede fietsbel. Prompt gingen de remmen dicht en stopte hij. Frons op het voorhoofd, en “watte?”. “Awel, ja. Het is om te beginnen een goede manier om kloofkes in uw lippen te vermijden. En bovendien: de appreciatie voor al dat gefluit verandert met de jaren. Nagefloten worden op je 20 is nu eenmaal niet hetzelfde als weggefloten worden op je 60. Trouwens: in de hondenschool is ons geleerd dat we niet op onze hond mogen fluiten, want dat dat respectloos is”.

’t Is al een paar dagen geleden dat ik hem nog gezien heb …😉